donderdag 23 augustus 2012

Het wijde water

Gisteren liep ik op een zeker moment te lanterfanten, stond op vanuit mijn stoel aan tafel en ging, door de hal, die de entree vormt van het gebouw waarin ik woon, naar buiten en sloeg links af. Aanvankelijk aarzelde ik, zou ik wel linksaf gaan en niet recht door, de route die ik met mijn vrouw, na het eten graag loop. Aan de overkant van het wijde water, in het noorden stonden de bomen van het Vliegenbos, de kruinen nog vol blad, ze waren ternauwernood van mekaar te onderscheiden, ertussen de barakken en de schoorsteen van Ketjen. Op het water enkele schepen – of zeg je boten –, misschien wel rijnaken, zo nu en dan een plezierjacht dat met vol zeil afstevende op het IJsselmeer. Aan de wal was er geen bedrijvigheid meer, twee mannen stonden geleund tegen hun auto en keken net als ik het water over, ze spraken zacht en wezen daarbij, naar de Oranjewerf. Onhoorbaar werd daar gewerkt, draaiden de lieren en ik stond in de schaduw van het gebouw, een koele plek. Achter mijn rug schilderde een andere man de planken voor zijn studio, hij was blij een onderkomen gevonden te hebben om zijn werk te doen en glom. We spraken kort met elkaar en ik bewonderde zijn laminaatvloer en hij nodige mij uit, 'kom kijken als ik klaar ben, het wordt mooi, erg mooi.' Ik liep door, om het gebouw heen in de schaduw van de bomen die vanuit mijn raam te zien zijn, waar ik graag van vertel. M., een buurvrouw zaaide in de publieketuin stokrozen die nu torenhoog stonden, het zaad was rijp, dat verontruste mij niet. Later die dag, het was al avond ging ik naar bed en las het boek niet uit, omdat ik vermoeid was, knipte het licht uit, hield het boek in mijn linkerhand op mijn borst en viel in slaap. Toen ik wakker werd lagen het boek en de hand naast elkaar op het kussen waar anders het hoofd van mijn vrouw zou rusten als ze bij mij is. © Peter Prins.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten