maandag 24 september 2012

Tao van de wind.

Door de schrale takken van de liguster, die in een pot op het balkon staat en in de volle kruin van de plataan schijnt het gehelmde hoofd van een man. In zijn handen houdt hij een motorzaag, die wordt aangedreven door een kleine tweetaktmotor. Het is een jonge man, soms houdt hij de zaag in de vrije lucht laat hem dan razen als een formule één coureur. Ik woon acht meter boven het maaiveld, en de man staat op het plateau van een hydrologische lift en doet zijn werk. Hij zaagt takken uit de boom, takken vol blad. Aan de voet van de boom staat zijn Turkse collega, die raapt de takken bijeen en steekt ze in een hakselaar, die met kracht van de takken snippers maakt en die via een pijp in de laadbak van een aanhangwagen spuugt. Het is half zeven in de ochtend, het was een kille nacht, de winter nadert en die zal, zo wordt voorspelt ijzig koud zijn, mijn vrouw kroop, uit voorzorg dicht tegen mij aan en knorde genoeglijk. Dan stoppen de machines met het maken van geluid, ik kan niet zien wat er aan de hand is, misschien is het koffiepauze, misschien schrijft de wet voor dat de mannen, ondanks hun enorme oranje gehoorbeschermers, de transparante viziers en armen als boomstammen zo sterk door het tillen van de zware machines, het werk moeten onderbreken en in gebed moeten. Ik ben slecht op de hoogte van religieuze gewoonten. Het is stil. Vanuit het raam zie ik, hoe de wind de takken beroert en het blad mij ten afscheid toewuift. © Peter Prins.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten