zondag 12 mei 2013

Argentinië aan het IJ (oefening in wereldvreemdheid)

een tiental jaar geleden huurde ik het huis. Het staat op een eiland in de haven van de grote stad, en is door een smalle dam verbonden met het vasteland, waarop gebouwen staan met namen aan de gevels die wijzen naar overzee. Het schijnt dat er hier onlangs een koning voorbij voer, enkele uren daarvoor had hij nabij een andere dam zijn handtekening geplaatst waarmee hij deze titel verwierf. Of er volk is geweest dat hem vanaf de wal toejuichte weet ik niet, lot en liefde stuurde mij naar de kleine stad waar destijds op de hardstenen treden van een trap een door kogels verwonde man stierf.
Het wordt met de dag lichter en warmer en ik verheug me op het bloeien van de liguster. De struik die ik uit het gelid van vele haalde en op het balkon zette. Er naast staat een blauw houten stoel waarin ik dan zit en de hommels, waarvan ik de ondersoorten begin te herkennen bekijk.
De deur en een enkel raam in huis staan op de haak, de nacht heeft zo vrij spel en de merel, nog voor de tram rijdt, zingt. Dat is anders als ik een uur later aan tafel zit een naar het ontvouwde blad van de plataan kijk aan de takken hangen krijsende parkieten, dit geluid vermengd zich niet met het mauwen van een penseelaapje.
© P. Prins

Geen opmerkingen:

Een reactie posten