zaterdag 12 oktober 2013

Une histoire française III

Le vacances de monsieur Hulot

Die van hiernaast liet z'n duiven als eerste los; acht stuks om tien over zes. De vlucht vloog de brekende schemer in waar volgeladen wolken trager dan de vleugelslagen van noord naar zuid trokken; de winter schudt alvast het verenpak. Dan is er het geluid van een knarsend dakraam. De duiven van die van verderop klimmen in het zwerk.
Het is zondag op de Blés de Ferquent in Raventhun en Alicia leest de detailkaart van de omgeving; 1:25.000 dat wil zeggen dat één centimeter twee honderdvijftig meter is en regelmatig betrekt de lucht, zo ver haar oog reikt, tot de blauwe luiken in witte gevels achter de heg. Gisteren reikte het met gemak tot Folkstone's zonnige klippen, ze moest er flink voor langs het strand gaan tot voorbij de noordelijke punt hoog op de kust.
Vanachter de ligusters klinken de ongeduldige en droge knallen uit de dubbelloops geweren.
In de beschutting van de portakabin met aluminium afdak zit ze op een grijs uitgeslagen stoel aan een laag campingtafeltje dat bij elke zin die ze schrijft meedanst. In de caravan tegen over haar bedekt een vrouw het blote bovenlijf en doet dat in middelbare rust. Het is een man die dat doet, toch schrijft Alicia dat het een vrouw is, dat wil ze. Uit die caravan klinkt gedempt en onhoorbaar Frans.
Op het gegolfde aluminium waaronder ze zit loopt waarschijnlijk een vogel, naderhand blijkt het een Turkse tortel te zijn; 'de Turkse tortels koerden'. Dit politiek alles omvattende gedicht drijft haar geestestoneel binnen. Later als ze thuis is in de grote stad en de handbeschreven vellen overtikt wil ze de bundel pakken waar dit gedicht instaat; ze dacht dat Frank Koenengracht het schreef. Het boek is weg of verstopt op een plek waar het onvindbaar is.
Er komt een vrouw aangelopen, een Vlaamse. Zij vond dat ze in haar schooltijd veel vreemde talen moest slikken en haar man is bang dat alle Vlamingen door Nederlanders als rechts worden bestempeld; 'de Morgen is het enkelschoppen verleerd'; zo glijdt Vlaanderen af. Weer klinken er geweerschoten vanachter de struiken en duiven vullen de lucht tot en met de schemer. Achter Alicia's rug is de Vlaams vrouw in de weer, ze zou willen dat het een man was dat brengt rust. De jagers worden ongeduldig en verspillen hun kruit. In de portakabin bond de vrouw d'r haar strak naar achter en draagt nu een emmer mee, ze loopt achter de struiken weg in de richting van de jagers.
Omdat het zondag is kwamen de alledaagse geluiden later opgang maar nu die zijn er dan toch. Er is een merel die het aandurft te klakken en er beginnen auto's te rijden. Je kunt je er de mensen in voorstellen op weg naar de familie.
De bange man van de Vlaamse vrouw loopt langs en ondanks dat hij ziet dat Alicia met gebogen hoofd zit te schrijven bromt hij vertrouwelijk. Gisteren spraken ze kort met mekaar: jullie zeggen dit in het Nederlands en dan bedoelen wij er in het Vlaams dat mee. Wat hij waarschijnlijk niet weet – tussen de geweerschoten door – is dat onze landen een lappendeken van stervende dialecten zijn. En wat de één zegt wordt door de ander anders opgevat wordt. Hij onderscheidt zich met zijn Gents-dialect zegt-ie, het Nederlands is zijn tweede taal.
De vrouw in de caravan zet een vuilzak buiten; deze door-de-weekse-handeling heeft geen weet van getijden; het afgaand water tot aan het doodtij en dat de beste mosselen in emmers mee naar huis gaan. Alicia vertelt er de verhalen van; die van haar moeder die aan de Zeeuwse wateren woonde; delicatessen kocht je toen in de grote stad; je wachtte langer dan een uur op de bus eer je er was. Voor het zeekraal weigert ze tot op de dag van vandaag te betalen.
De jagers zijn gestopt en het is niet duidelijk of zij hun prooien; de fazanten, hazen en reeën, meedragen.
Het licht leistenen grijs heeft de lucht van rand tot rand gevuld en de tortel waagt het om vanuit de conifeer onder de afdak door te vliegen, het is voor niets beducht.Vanachter de guldenroede komt van Veldhoven aangelopen en op het as van het gedoofde vuur ligt een half verbrande pizzadoos; bolognaise. De kust is bezaaid met kiezels van ver voor onze tijd. Aan d'r linkerwijsvinger draagt Alicia een diepe wond die ontstoken is, ze steekt de vinger regelmatig in haar mond zo betert die. Dat gelooft ze nou eenmaal.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

Geen opmerkingen:

Een reactie posten