maandag 6 oktober 2014

Scene 6

De laatste brief van die dag werd geschreven door een jonge vrouw die u, tot dan, niet kende.
Met de postbode, waarbij de benen op tafel lagen, besprak u een veranderende gedachte, namelijke om de kozijnen eerst te poetsen en dan de rest. Gelukkig maar, want het af en aan van de man riep meer vragen op, antwoorden bleven uit. Bijgevolg lag er een berg werk.
De jonge vrouw, volgens haar brief met stevige kuiten en zonder omslagdoek, om maar eens wat te noemen lichtte ze toe, zocht uiteenlopende redenen om in tranen uit te barsten. Zij dacht daarbij aan onbekende dode dieren, het liefst uiteenliggend. Nooit zag ze zoiets, weleens in een spreekwoord over gehoord. Het kon toen geen tranen doen plengen. Misschien dat mannelijke pinguïns de waterlanders loswrongen. Zou er ergens onrecht zijn dat haar kon worden aangedaan, door een vreemde hopelijk, iemand die duwde en voordrong aan de kassa.
Het liefst van alles zou ze stromen als een volwassen bergbeek, haar armen als een delta uitreikend naar jan en alleman. Het leek haar onmogelijk zichzelf daartoe, hoe dan ook te dwingen.
Na het lezen ademde u zwaar; de brief moest maar een mooie bestemming krijgen.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

Geen opmerkingen:

Een reactie posten