zondag 1 maart 2015

Aanhanger

Tussen de half opengeschoven gordijnen kijkt u een huiskamer in. Er brandt licht. Het kan uit, daar is niemand. Een vrouw drentelt halfluid pratend heen en weer tussen de gang en nat haar waarin ze moet zoeken. Ze is er druk mee. Ook met het weggaan en terugkomen en het opzetten van de bruine wollenmuts, de wolfsmuil. De winter nadert. Hongerig kijkt zij naar de bladerloze bomen en weet nog van de vette jas waaronder een zaag met grove tanden is verborgen. Het houthok moet vol. De kachel, het gietijzeren gevaarte waar omheen haar huis werd gebouwd, moet aan. Als zij op volle kracht gaat stoken fikt het huis erbij af. Ze moet het ding temperen anders staat er straks geen boom meer langs de weg.
Deze kinderloze vrouw kent een man die voor haar het huis bouwde. 'Hier is op het zand,' zegt hij, 'dat scheelt een hoop gelazer. Ik graaf een gat, leg de fundering en iedereen die ik ken heeft wel een aanhanger.'
Toen het huis klaar was moest de vrouw bij de rechter komen, het was niet orde zo; zonder slaapkamer is het geen woonhuis. Zij vroeg of het magistraat kippen bezat. Nee, dat deed het niet. Dan bezit het ook geen kippenhok meende zij.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

Geen opmerkingen:

Een reactie posten