zondag 12 juli 2015

Kraag






Collega B draagt graag geruite hemden en daarover een vest met opstaande kraag, van wol, niet te dik of te dun, tot halverwege dichtgeritst.
Om tien uur schuift hij zijn toetsenbord van zich af, opent een plastikzakje en bij het nemen van een enorme hap waarbij de helft van een dubbele boterham tussen zijn kaken verdwijnt, knikt hij u vriendelijk toe. Tijdens het malen wordt het zakje weer dichtgeknoopt en verdwijnt in de tas.
Iets verder weg op zijn bureau staat een glas water waaruit hij kleine slokjes neemt. Niks gulzig naar binnen klokken en uit de mondhoeken laten sijpelen van genadeloos stervende dorst. Om half één komt er een andere collega binnen, zijn vriend, die hem gebaart mee naar buiten te gaan. Als het drie uur is gaat de tas weer open en verschijnt de appel.
U houdt van kleine appels, de Elstar. Als dat seizoen voorbij is wilt u weleens de Jonagold eten.
B zet zijn tanden in de appel en gebruikt ze als een wig waarmee de appel wordt klemgezet, met de rechterhand duwt hij de appel omhoog en krakend laat er een deel los dat dan onverbiddelijk malend zal verdwijnen.
In het geluid van het losscheurende deel ervaart u de beproevingen van het verloren paradijs, haar ondergang, smeltende poolkappen, provinciegrote ijsschotsen die hun weg naar de evenaar zoeken.
Uit eerbied en onvermogen ten opzichte van zijn ijzeren orde dicht u de collega de scheppende kracht toe. En u, de dwalende, de dolende, die Lilith aan uw zijde verkiest boven Eva, kijkt ademloos toe.
Eén keer droeg B een wit overhemd. Het was van moderne snit met een kraag waarvan de punten niet naar de borst wezen maar op het sleutelbeen rustten. Doordat de knoopjes van het hemd in een ander ritme waren vastgezet dan bij de geruite overhemden was een deel van de plek waar de sleutelbeenderen zich gelukzalig aan het borstbeen vastgrepen, zichtbaar.
Na het compliment dat u hem gaf heeft B dat hemd niet meer gedragen.




Geen opmerkingen:

Een reactie posten