zondag 28 mei 2017
Dood dier
Zegt U maar niets, die keuken waar de afwasmachine nog uitgeruimd moet worden, die verzin ik wel. Dat briefje, die paar woorden aan de minnaar verander ik ook. Hij hoeft de machine niet te doen, wel zachtjes met de deur, rekening houden met de kleine.
Een week of wat geleden kwam hij weer aan, toch. De gang van zaken kreeg zo zijn beloop, zoals Uw zucht als hij de deur straks dichttrekt en onvindbaar wordt.
Bij navraag haalt U de schouders op.
...
Als het nieuws er is neemt U de was onderhanden, dat houdt de berichten weg. U zou een goede africhter van dieren zijn; hangende vogels die uit de hand eten. In de wet staat niet toe dat zij hier hun kunsten vertonen. Met hen zou U naar een ver land moeten vertrekken om daar door vakantie vierende landgenoten opgemerkt te worden, die bij terugkomst U op het vliegveld uitjouwen, de taart in het gezicht smijten.
De tegenwerping zielsveel van honden te houden is een uitvlucht, U hebt er niks mee. Nee, ook niet met het dier dat de minnaar even over de kop aaide en voor wie hij de vinger tegen de lippen legde, het commando: op de plaats rust.
…
Toen hij op een nacht meeliep, was dat voor het eerst. Zij wees hem de groentewinkel, de huizen van collega's en hoorde het dier dat aansloeg. Hij legde die vinger tegen haar bordeauxrode lippen.
De kleine had ze naar moeder gebracht; er was iets met een collega, iets met het werk.
…
In cafe's vergeet U dat twee glazen meer dan genoeg zijn, dat drank U verandert.
...
Het nieuws laat de beelden zien vanuit de helikopter, of zo'n onbemand ding, van een snelweg 's nachts. Ze hebben de weg afgesloten met wagens met zwaailichten, blauwe en oranje. Er liep een man langs. Dat kostte hem het leven. Hij liep daar wellicht om zijn dood in de schoenen van anderen te kunnen schuiven. In die van de bestuurster die wel een dreun voelde maar niet wist wat zij met zo'n groot dood dier aanmoest? Ze heeft weleens gehoord van een slager die het dan zou opkopen. Maar hoe zwaar is zo'n dood dier wel niet, dat in de kofferbak leegbloedt?Dood dier
maandag 8 mei 2017
Naar buiten
Je boeltje heb ik op hun geëigende plek gelegd. Met gepaste aandacht, elk object met beide handen wegend, hoop ik, achteraf, bij je thuiskomst. Dan ziet de kamer er uit als de winkel op zondag.
...
Regelmatig kijk je op de keukenklok; zo'n goedkoop ding uit zo'n warenhuis net buiten de stadsgrens. Al zevenentwintig jaar wijst het je de tijd, die niet onderhevig is aan zwaartekracht zoals lichtgrijze sneeuwvlokken.
Uren eerder dan het efficiëntste, trok je het klaargelegde hemd aan, de laarzen met hoge schacht weg van onder de kapstok en koos de jas die bij het seizoen past: wol, driekwart lang.
Het besluit je beste hemd aan te trekken kostte geen moeite, de zes die je bezit zijn eender.
Aandacht schenken aan de tuin gaat vanmorgen niet. Het gestaag opschieten van de berenklauw, de ruw, getande bladeren aan de voet van de tere liguster, als het wetboek van strafrecht, laat je aan je voorbij gaan.
...
Het blad dat zich uit de zwarte aarde omhoog werkt jaagt ontzag aan. Ontzag als bij het horen van de stervenskreetjes van de vergiftigde muis onder de houten vloer.
Ik protesteerde met gebalde vuist om de hardvochtige houding die je hebt tegenover de dieren; honden horen thuis op het erf, in poten van onverlaten te bijten. Het is je om het natuurlijk evenwicht te doen.
...
Wachtend op de tram naar het station is het warmer dan je vermoedde; gevoelstemperatuur, het zal wat.
Je bent op weg naar een vrouw, om met haar een stoofschotel van kabeljauw te eten. Vissen die in scholen van geschat 21.000 ton het lekkerst zijn gevangen tijdens hun trek naar de Lofoten om daar te paaien.
Als zij over haar nieuwe vriend begint, die ander, neem je je voor aandachtig te luisteren naar hoe zij zijn haar heeft geknipt, zijn nek uitschoor met zijn eigen scheermes.
…
Dat van jou laat je hier.
...
Vanuit de trein heb je laag langs scherende velden gezien vol blauwe druifjes, rode tulpen en die vervelende kleine narcissen. Die riepen de herinnering op aan de, tot een sliert geregen gele kelken op de motorkap van de auto van de buren geknoopt.
...
Wij bezaten toen nog geen auto, slechts een paar fietsen en stadsgrenzen.
...
Verderop naast het spoor staan koeien in de wei. Als die willen kunnen ze via de kleine dam en het openstaande hek van veld en gezelschap wisselen.
Hoe een koe op dat idee moet komen is mij een raadsel. Herkauwen, zeg je, is een rondeel.
...
Met de linkerhand strijk je over het nieuwe blauw dat strak over de treinstoelen is gespannen en schrikt van de wens je naast die vrouw tegenover je te vleien en alles in haar handen te leggen. Ze slaapt met het gezicht gericht op de laatste zin.
maandag 10 april 2017
Prinses vindt een gewond zwijn
Prinses vindt een gewond zwijn, in haar garage.
Zij kleedt een gedachte koninklijk aan en maakt daar geen geheim van bij de brandweer en de opsporingsdienst.
Er wordt beslist om het levenslicht van het zwijn gezamenlijk uit te blazen. Dat grijpt het dier aan. Tegenover de instanties komt het daartegen aanvallend uit de hoek. Één houdt er een vinger aan gruzelementen en gekneusde ribben aan over, de ander joekels van blauwe plekken.
Rechtsdwang brengt het zwijn over naar het gezag, daar is het niet te bedaren en schreeuwt de hele tijd, weigert zich te laten verhoren en slaat continu met een vuist tegen de tralies.
In een bos in de buurt de garage van Prinses vind je wel vaker een zwijn, en in het magere stroompje verderop de beekprik, een zeldzame kaakloze vis.
zondag 26 maart 2017
...
Het driedelig grijs waaraan hij op afstand kon worden herkend, waarvan het vestknoopje hier ligt, de nauwelijks zichtbare schilfers niet meer en passant van zijn warme schouders worden geveegd, hangt in die kast daar, een trainingsbroek vindt de verzorging handiger.
woensdag 15 maart 2017
Er leefde eens
Er leefde eens een man die plompverloren aan een andere man dacht die op een paard reed. Hij had geen man in zijn vriendenkring of net buiten de rand ervan, die zoiets deed.
Er leefde eens een man wist niet waar hij andere man, waaraan hij plompverloren dacht te zullen gaan vinden en of die het paard op de juiste manier verzorgde, de hoeven na elke rit schoonkrabde.
Op zijn erf bouwde hij een plan om de paardrijdende man te kunnen vinden.
De vrouw van er leefde eens een man legde diens kleren in een koffer, de oude stille koffer die achter in de kast wachtte, en tot dan nergens naartoe gebracht was, tot er leefde eens een man plompverloren aan een andere man dacht die op een paard reed.
Geblinddoekt wilde de vrouw van er leefde eens een man raden waar de andere man woonde om die te waarschuwen dat haar er leefde eens een man een plan aan het bouwen was hem te vinden.
Toen zijn plan af was nam hij de oude stille koffer in de hand.
vrijdag 10 maart 2017
Nesten
In de nu nog bladerloze plataan in het grasveld voor de deur hebben de eksters vorig jaar het schijnnest opgetuigd. In een boom verderop pronkt het echte nest: de vesting.
De bouw van het schijnnest koste moeite omdat twee kraaien er zich tegenaan bemoeiden. Waar die bemoeizucht voor nodig was is niet duidelijk geworden. Het was een gedoe, de vesting verderop moest daarbij ook worden onderhouden en verdedigd tegen de zeurende krassers.
Twee houtduiven die eerst de jonge kastanje, een dag later in de zilverberk de vermoorde onschuld repeteerden en even later quasi nonchalant op de takken bij het schijnnest het verenpak op orde brachten, de lente is tenslotte in aantocht, schoven allengs dichterbij, plukte er een takje weg, legde er een takje bij; 'kijk ons eens goed bezig zijn'.
Het laat de eksters siberisch dat de duiven, vrijgesteld van het offer dat een nest bouwen vraagt, de comfortabele bundel takken als hun eigendom zijn gaan beschouwen.
zondag 26 februari 2017
Denkbeelden
Tot weinig spreken bereid zitten zij, de vrouw en de man, aan haar tafel.
Er is een verschil in denken over het drinken van koe-, geiten-, en schapenmelk en de industriële aanwezigheid van goden of slechts één. Het verschil in denken is niet zodanig dat de zwijgzaamheid daar naar verwijst; de vrouw is verdiept in een boek, de man schrijf in een schrift.
Brengen zij hun meningen te berde, over het drinken van melk en het bestaan van goden, is dat niet om hem van de slechtheid van het drinken van melk en het bestaan van vele goden of slechts één te overtuigen, noch haar te overtuigen van het tegendeel. Beide zijn gesteld op parallelle werelden en pretparken en bezichtigen de denkbeelden.
Wat betreft het drinken van melk kan het voorkomen dat de man daarvan denkt dat de vrouw gelijk zou kunnen hebben, aan de industriële aanwezigheid van vele goden of slechts één twijfelt de vrouw niet.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
zondag 12 februari 2017
Van de bank opgestaan
Van de bank opgestaan, waar ik lag te lezen, om daarna in het notitieboek deze aantekening te maken, naar de leeszaal in het oostelijke deel gaan, aan één van de met schotten gescheiden werkplekken bij het raam dit boek neerleggen, benevens mijn aluminiumkleurige puntenslijper, twee potloden, het gele, het blauwe met gouden biezen, en het werk te corrigeren,
om te niet verzuimen af te stappen, niet door fysiek instinct gedreven verder te fietsen, het park vol fluisterende wandelaars in, en daar kuierend langs het naar de horizon toe versmallend grindpad te genieten van deze zonnige dag,
in de ruime, lichte zaal bij het raam te zitten, waarachter trams rijden, mensen in opzichtige werkkleding, met het hoofd in de nek, het hydraulische werktuig te zien bewegen, waar een man en een vrouw de hond uitlaten, – een echtpaar dat in een grootwarenhuis langs de uitstallingen dwalend, overlegt wat afzonderlijk door hen wordt begeerd? (zij hem en hij haar?) – ,
mijn zwarte korte jas over de rugleuning van de kuipstoel te hangen, in het shirt met korte mouwen een actieve indruk te maken.
Deze jas sla ik al seizoenen lang om mijn schouders, met de herinnering dat het die jas is die een buurjongen aan mijn zoon gaf. Hij accepteerde die, maar droeg 'em niet. Bij het keer op keer aandoen, speelt dit woordloze gebaar tussen twee vrienden zich weer af voor mijn geestesoog.
Deze zin overdenkend kijk ik op van het werk en zie aan de overkant van de straat een jonge vrouw met een sigaret tussen de lippen op een bejaarde man toelopen die onmiddellijk begrijpt wat zij hem wil vragen en haar zijn aansteker aanbiedt.
Ondertussen kluift een vrouw in de koninklijk oranje truitje, twee stoelen verder, hongerig ongestoord op de nagelriemen van haar linkerhand, denk ik dat de tram een dienstregeling heeft van om het kwartier te moeten vertrekken. Dan zit ik hier al anderhalf uur, bij tijd en wijle afgeleid door schuifelachtige geluiden die uit eerbied voor duizenden boeken en de dagelijks verse kranten in de leeszaal klinken,
aan de overkant een vrouw bij haar huis aankomt, een benedenwoning. Het grote raam aan de straatzijde is tot halverwege geblindeerd, haar binnenleven beschermend tegen de blikken van de voorbijgangers. Het geluid van de sleutel in het slot laat haar man met wanhopige blik reikhalzen over het geblindeerde deel. Eindelijk. In angstige spanning heeft hij op haar verlate komst gewacht, rusteloos vanwege een ongeduldige hond. Zonder om te kijken geeft zij met de linkervoet de deur een duw.
maandag 6 februari 2017
Wollen muts
De bezorger van kranten belt tijdens het werk met zijn moeder, die mijlen verderop, zuidwaarts, over een zes minuten zegt ze, de keuken in moet en een gloeiende hekel heeft aan het weer waarin haar zoon werkt.
Zij kent de wijk, de namen op bordjes in portieken die hij zoekend letter voor letter opleest, zijn vloeibare verhalen, en wil dat hij de wollen muts opzet.
zondag 29 januari 2017
Winterlied
Van de ene naar de andere stad reist hij en ziet vanachter het coupéraam huizen voorbij flitsen, het licht in ramen, de trage gang van de koeien, de deurensluitende boer, laaggedakte loodsen, uit de industrielecomplexen wegfietsende werkers en aan de zoom van een akker, dan weer aan dat van een weiland of geestgrond, het coulissebos met aan de voet hopelijk ligusterstruiken.
Deze kustprovincie kent hij en weet dat achter die coulissen de duinen liggen die de zee bedwingen. Aan het uitzicht verandert nauwelijks iets; soms verkleurt het boomblad, wordt in een bouwput een gebouw opgetrokken. Staat de trein stil na de aanrijding met een persoon die het strakker aantrekken van het corset niet verdroeg, opnieuw een blad.
De mannen die in en uit stappen is hij gaan herkennen, zij hebben inmiddels hun baard kunnen laten staan, en dragen nu het koud is hun wollen mutsen.
maandag 23 januari 2017
Glans van de meest aantrekkelijken
We zaten op onze oude bank, verdiend met het verkopen van nog oudere dingen welke we dachten niet meer te zullen gebruiken, en keken naar een programma dat tot dan toe onze belangstelling niet had.
Er kwamen mensen in voor die wij, los van elkaar, toen hij boven was en ik op de oude bank zat het tijdschrift las, eerder zagen en de meest aantrekkelijken voor het eerst. Zij bewogen door een stad die geen van ons kende. Het was daar zo dat de meest aantrekkelijken de glans kregen die het huis verwarmde.
Zwijgend zaten we, zoals een man en een vrouw of vader en zoon. De nergens beschreven opdracht was om op de oude bank te zitten kijken naar hoe die anderen in die vreemde stad bewogen en de warmte van de glans van de meest aantrekkelijken te voelen.
vrijdag 13 januari 2017
plastic bakje
Naast de warmwaterkraan staat een plastic bakje. Als het je aan ervaring en brede kennis nopens plastic bakjes ontbreekt omdat je nooit in warenhuizen komt waar een grote verscheidenheid aan plastic bakjes te zien zijn en je nooit bij de afhaalchinees, zoals die hier beneden of die hier om de hoek, je eten haalt, dan zou je zeggen: het is een broodtrommeltje.
Klein keukenafval; de buitenste, naar geel toe, verkleurde velletjes van spruiten, een nat tiende deel broodkorst, restjes van etensborden, de harde schil van de avocado gaan er in. Pitten daarentegen, verdwijnen met een sierlijke boog de tuin in. Zomer's dansen fruitvliegjes als minuscule drones rond het plastic bakje.
'Aardbei' is al even opmerkelijk als 'strawberry', maar dit terzijde.
donderdag 12 januari 2017
Terwijl
een radiovereniging oproept vanavond een kaars te branden, zet religie voet aan wal en werpen bipolaire algemeen directeuren van ondernemingen, in de volksmond ceo's genoemd, munten op een groen laken om besluiteloosheid te doen keren, is er een in hoge mate stimulerende vrouwenstem aan de telefoon die informeert naar de stand van de erectie, stapt het merendeel van de reizigers uit, is er plaats voor nieuwe reizigers, waaronder zij, bescheiden lachend, met een beker koffie in de hand en wandelt haar man ondertussen met de hond.
Terwijl de nieuwe reizigers met enige ophef telefoons uit de zakken en tassen halen, spuugt hij alvast zijn gal en zegt een ander, plusminus 27,5 jaar, dat-ie onderweg is en de schilders straks misschien wel koffie willen, vraagt zij zich wat Spinoza precies bedoelt als hij 'God', 'Rede' of 'Wijsheid' zegt, blijkt onder zijn alledaagse begrippen een inhoud schuil te gaan die zo revolutionair is dat je jaren nodig hebt om de explosieve kern bloot te leggen, zijn er akkers geploegd, draagt zij, die bescheiden lachende vrouw een ring met een kostbare steen en blijft het voor de tijd dat het duurt ongewis wat hiermee wordt uitgedrukt.
Terwijl het mogelijk is een robuuste afvalverzamelaar te winnen met het oplossen van een puzzel, zet de man, die met de bescheiden lachende vrouw van zitplaats ruilde, zijn zonnebril op, maken de naar binnen gevouwen lippen en neergetrokken mondhoeken hem bitter, rijdt de trein over een spoorbrug boven een zesbaansweg waar tien jaar geleden een herdershond werd doodgereden.
Terwijl in alle gemoede is afgevraagd of het wonen op een eiland voor de kust voor de lage en middeninkomens nog wel mogelijk is nu de huizenprijzen op die zandhopen tot grootstedelijke hoogte stijgen, hij in zijn burberry met verwijtende nonchalance door het middenpad loopt, trekt de lucht dicht, steekt er wind op en neemt het geloof in Sinterklaas en Zwarte Piet onder de volwassenen toe, schuift het einde van het jaar verticaal door de horizontale tijdlijn, valt het boek open op pagina zes en dertig:
The hamster conceived this philosophy by observing that it did not commit suicide. 'I am perpetuating a concious state of being by eating and breathing and thinking and not slitting my wrists,' the hamster thought unexcitedly, 'therefore my philosophy – derived from my actions, wich are pre-philosophical, or something – is that I am a concious being and I want to live, that all concious beings not working towards or in the act of suicide also want to live, and that I should therefore behave in a way that allows the most organisms the best of life.
zondag 1 januari 2017
ter uwer verjaring
zondag 01-01-2017, de eerste uren, boeddhistische tijd, een breekplaat voor vogels, zonder mensen, heeft met Zen en de zeer dichte mist te maken, houden het nog vol.
Niet eens uit reten, of ademloze spelonken komt hij aangedraafd, de tijd die dicteert, het hoofd tussen de handen neemt en influistert.
donderdag 22 december 2016
De witte kerst
Woensdag 21-12-2016
Hà, na vandaag zal de koperen ploert met de dag hoger aan het zwerk komen te staan. Dit betekend dat het binnenkort pasen en voorjaarsschoonmaak is.
U permitteert het mij een kleine opmerking te maken over het gewauwel 's morgens op radio vier. Tussen de best aardige klassieke moppies mekkerde de presentatrice over het alsmaar wegblijven van de witte kerst, en of de luisteraars hierover hun mening maar willen geven. Voorts is het ook mogelijk om uw stem uit te brengen op het favoriete kerstlied. Het aantal liedjes waaruit u kunt kiezen is beperkt, maar komen voornamelijk uit het Angelsaksisch taalgebied.
Beste, dit land ligt aan zee, onder de kust ervan stroomt relatief warmwater van zuid naar noord, en waait er een, door de bank, of zo u wilt door de band genomen, niet aflatende zuidwestenwind. Deze twee factoren zijn de oorzaak van het zo kenmerkende weertype in dit land; matig winterweer, matig zomerweer, hier en daar en bui en op weg naar het werk windtegen.
Een witte kerst is amerikanistisch geneuzel.
U hebt gelijk, de radio kan ook uit opdat ik het gezever niet hoef aan te horen, maar dan ontbreekt het mij aan stof om te mopperen, inherent aan het beschreven weertype.
maandag 19 december 2016
Flauwe krachten
De jongen met bruin golvend haar en bezitter van kennis over de liguster loopt naast zijn zus op de waranda. Zonder omhaal springt hij de drie meter lagere tuin in en verandert daar in gum. Zus, die liever met botanici van doen heeft en van treuzelen houdt, roept de vader, de ingenieur. “Let nu goed op” , wijst hij waarschuwend naar de scheiding in het haar, “dit is die droom waarin je bent die je er buiten niet bent, eindelijk.” Aan de voet van de liguster ligt gum. “ Lijdt het?” informeert zus. “Nee, het is pech, daar heeft het recht op en het kent de wet.” De buitengewoon respectabele arts, door alle moeders met enthousiasme overladen, constateert dat dit de fenomenale transformatie is: “Uw flauwe krachten, condensstrepen, oude sporen en couscous van kiezels” - zijn hand op de borst van de vader - "hebben hiertoe geleid.”
dinsdag 13 december 2016
Terreinbanden
Achter dat ene raam tussen de enorme hoeveelheid donkere ramen in de nieuwerwetse gebouwen rondom de binnenhaven, brandt die lamp, een kale peer, dag en nacht.
Dat is het eerste dat 's morgens vroeg is te zien na het openschuiven van de glasgordijnen en de deur van de haak; de thermostaat staat op twintig, de kamer komt op temperatuur.
In het licht van die lamp, een kale peer, gaan de pagina's van een prospectus van hand tot hand, bij het haperen wordt aan een wijsvinger gelikt, en zetten ogen alvast de route uit waar terreinbanden stof zullen opwerpen.
maandag 5 december 2016
Het boek, een jankende hond
De schrijver en de interviewer zitten aan een tafel. De productiemedewerker heeft er twee glazen water klaar gezet en het lijvige boek. Aan het eind van het gesprek nemen de schrijver en de interviewer bij wijze van afsluiting een slokje.
Zij spraken over het boek, over de inhoud en de personen die in het boek figureren. De interviewer laat zien dat hij het boek aandachtig gelezen heeft. De schrijver stelt dat op prijs. Niet dat hij de interviewer daarmee openlijk complimenteert; hij ontspant, niets van de letterlijke inhoud van het boek zal worden prijsgegeven. De personen die in het boek figuren worden op afstand bekeken. Gedurende het gesprek tilt de interviewer het lijvige boek op, houdt het voor het oog van de camera en prijst het aan. Beide zijn goede sprekers die ons weten te boeien.
Als wij langs de boekwinkel lopen schiet ons dit intelligente gesprek te binnen. Zouden wij het boek nu willen kopen, en ons er dagen dagenlang door in beslag laten nemen? Zeer korte verhalen zijn praktischer, denken wij alles afwegende. Na het slot kan een was gedraaid en onbekommerd de tuin ingelopen worden, de wasmand op de heup, zonder dat het lijvige boek als een jankende hond binnen achterblijft.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
maandag 28 november 2016
Theedrinken
Verderop wordt nog wat tennis gespeeld. Spel van de derde garnituur, mensen uit de buurt, na de middag in 't cafe. Dit is zo'n beetje de enige heisa, op een stuk of negen mannen in bovenmaatse regenjassen na; zij sjouwen met hekken, rollen de geblokte linten af die zij na het uitstoten van commando's en het maken van brede gebaren weer oprollen.
Naast de deur waar net een bleek zonnetje schijnt, de ketel ruist en het water de pot in kan, is het rustig. Het gekrakeel en de honderden meters die omgelopen zouden moeten worden vanwege het rozenfeest, is uit het zicht van de broers. Zij kijken afwisselend naar mekaars ongeschoren bakkesen en de stapel kranten. “Die berg kan nu de kachel wel in,” oppert de tien minuten jongere. De oudere heeft er moeite mee, met het afscheid van de berichten. “Moeiteloos doorbraken ze de sleur.”
“Dat zeg je best aardig, zo poëtisch.”
“Ik bedoel het toch echt anders.”
De jongste zwijgt, hij wil de lummel niet zijn, een misverstand is sneller dan een schot hagel, die kranten staan er vol mee, met dat soort trammelant. Hij schenkt het water in de pot en doet er twee scheppen lapsang souchong bij; even schakelen naar een ander onderwerp.
“Die bank, die van onder de appelboom, kan die naar de buurman? Hij tikte eergisteren tegen de ruit en stak zijn duim omhoog dat-ie het wel ziet zitten.” De oudere loopt naar het raam.
“Geef-em dan ook van die sla, die is nu groot, de rest kan aan de kant van de weg, tien cent de krop. En dat theedrinken, daar houden we ook maar eens mee op.”
zondag 20 november 2016
Wartburg
Wartburg
Van Veldhoven opent het portier van de gele auto. Had hij dat met de gebruikelijke nonchalance gedaan dan viel het ongetwijfeld van de scharnieren. Eenmaal dichtgetrokken lijkt het wel in het koetswerk te willen blijven zitten.
“Niet tegen leunen als je rijdt, anders flikkert het toch nog op straat,” adviseert eerste luitenant Lansink b.d., die de auto voor een habbekrats op de kop tikte en in de richting van het oosten wijst.
“Iedereen daar rijdt er in zo'n ding, vergeet niet onder motorkap te kijken, dan leer je nog eens wat”.
Het pad op de dijk achter lijkt wel geschikt om die koffiemolen, volgens Alicia, uit te proberen.
Het is weer wennen om na het wanhopige gekreun van de startmotor aangeduwd te worden. Maar minder onbegrijpelijke elektronica in een auto, en 'duwen..!' te roepen, 'nu in z'n twee, dan gas en in zijn vrij!' vindt Van Veldhoven een wereldverbeterende gedachte.
Zo'n beetje in de bocht, waar als het plenst een poel met snel opschietend riet ontstaat, glijdt de Wartburg van de glooiing. Melodramatisch duwt Van Veldhoven het zonneklepje omhoog. De drassige grond heeft de profielloze staalgordelbanden als oude vrienden omarmd.
“Gaat het een beetje...?” vraagt Alicia. Van Veldhoven draait het portierraam omlaag,
“Ik dacht dat het papavers waren, dat daar waren vuurvogels, maar nee: het waren huzaren, huzaren...” *
*uit: Vruchteloos, Adriana Symariska
Van Veldhoven opent het portier van de gele auto. Had hij dat met de gebruikelijke nonchalance gedaan dan viel het ongetwijfeld van de scharnieren. Eenmaal dichtgetrokken lijkt het wel in het koetswerk te willen blijven zitten.
“Niet tegen leunen als je rijdt, anders flikkert het toch nog op straat,” adviseert eerste luitenant Lansink b.d., die de auto voor een habbekrats op de kop tikte en in de richting van het oosten wijst.
“Iedereen daar rijdt er in zo'n ding, vergeet niet onder motorkap te kijken, dan leer je nog eens wat”.
Het pad op de dijk achter lijkt wel geschikt om die koffiemolen, volgens Alicia, uit te proberen.
Het is weer wennen om na het wanhopige gekreun van de startmotor aangeduwd te worden. Maar minder onbegrijpelijke elektronica in een auto, en 'duwen..!' te roepen, 'nu in z'n twee, dan gas en in zijn vrij!' vindt Van Veldhoven een wereldverbeterende gedachte.
Zo'n beetje in de bocht, waar als het plenst een poel met snel opschietend riet ontstaat, glijdt de Wartburg van de glooiing. Melodramatisch duwt Van Veldhoven het zonneklepje omhoog. De drassige grond heeft de profielloze staalgordelbanden als oude vrienden omarmd.
“Gaat het een beetje...?” vraagt Alicia. Van Veldhoven draait het portierraam omlaag,
“Ik dacht dat het papavers waren, dat daar waren vuurvogels, maar nee: het waren huzaren, huzaren...” *
*uit: Vruchteloos, Adriana Symariska
Abonneren op:
Posts (Atom)



















