vrijdag 27 mei 2016
Soep
Ze zitten bij Alicia aan tafel en eten er soep. De courgettes waren in de aanbieding, zo'n beetje voor de helft van de prijs. Tussen het slurpen door wordt gepraat. Waarover is niet na te vertellen, denkt Alicia. Niet dat het geheim is, of onder de pet gehouden moet worden, het gaat domweg van de hak op de tak, maar is de moeite van het meedoen waard. Kletsen.
Lansink zit weer eens naast Van Veldhoven en hebben het over de begrafenis waar Lansink morgen naartoe moet. De broer van zijn zwager is dood. Waaraan die stierf weet Lansink niet. Het heeft hem wel aangegrepen, hij is moe van alle treurigheid.
De twee broers zouden ter sprake zijn gekomen als zij niet bij deze soepsessie aan tafel zaten. Een plan zou dan aan de hand moeten worden gedaan om de mannen bij het jonge vee weg te lokken en ze niet te laten vergeten tripes mee te nemen. Goddank zitten ze aan tafel, op Alicia's emotionele reactie hadden ze niet gerekend. De tripes komt na de soep.
Lansink is er voor uit Chongqing teruggekomen. Hij heeft het naar zijn zin in die miljoenenstad, constant in aanbouw en ontvelde hondenkoppen op een wollen kleed voor de deur. Voor soep, vertelde Chi, zijn buurvrouw, en na het slurpen zijn minnares. 'Kijk,' liet ze hem zien, 'dit zijn vast chiwawa's geweest, dat is genoeg voor ons twee.' Er over schrijven in brieven met aanhef: 'dierbare vrienden', doet hij niet; foto's, daarmee moeten ze het hier doen, en erover praten zoals nu bij Alicia aan de courgettesoep.
Tussen het eten en praten door oefent iedereen alvast op de aanstaande langjarige afwezigheid van Lansink en de broers. Hoe dat zal uitpakken. Houden de broers de kop weer omlaag, alsof ze jong vee rondom de benen zien krioelen? Gaat Lansink op natuurkundigenwijze de formule van het vliegen opnieuw uitrekenen? Alicia gooit een hand dobbelstenen tussen de borden, drie enen, een vijf, een twee en een vier: een combinatie die ze niet eerder heeft gegooid.
maandag 2 mei 2016
Saucijzenbroodje
Met het saucijzenbroodje op een schoteltje schuift u aan in de rij bij de kassa van het koffiehoekje van het warenhuis in de Kleine Stad. Niemand ziet dat u straks etend hoopt dat het zware bruine vest binnenkomt en over de stoel naast u gaat hangen, daar wordt gelaten en vergeten. De hand erin hebben lukt niet.
Aan het eind van de dag kijkt de jongeman met het opgeschoren hoofd vragend rond en gaat op de nog warme stoel naast het vest zitten met het oog op de grote ronde klok. Nu kunnen zijn gedachten met gemak terug naar de ochtend, toen hij de grijs-roze trui met het winkellogo aantrok, naar de vrouwen van ongeveer dezelfde leeftijd, naar het tafeltje waaraan ze gingen zitten dat hij met het vochtig geel doekje grondig schoonwreef. Ze besteedden geen aandacht aan zijn nauwkeurig werk, noch aan zijn Damascus-bruine ogen, zij spraken met elkaar. Beschermd door wat hij gelooft eet hij nooit saucijzenbroodjes.
Abonneren op:
Posts (Atom)

