zondag 27 oktober 2013

Beker

Van Veldhoven schudt het zaad uit de gedroogde bieslookbloemen, klein en zwart en vraagt of 'klein' en 'zwart' bij bieslookbloemen hoort of bij de zaadjes. Wat de A.N.S daarvan zegt? Alicia kan er niet mee uit de voeten. Het lukt haar niet iets op gang brengen.
Van een brief, waarin de val van Constantinopel in 1204 wordt beschreven, vouwt van Veldhoven een beker en laat het zaad erin glijden vanuit zijn tot een kom gekrulde warme hand. Hij nodigt Alicia uit om door de stad te kuieren.
Hun ogen raken ingesteld op de geveltuinen, de bloembakken aan de ramen, en de zinken emmers waarin de mediterrane goudsbloemen staan. Intussen landt André Kuipers op de steppe van Kazachstan, zijn collega's zijn zichtbaar aangedaan, dat steken ze niet onder stoelen of banken. Van Veldhoven vraagt zich hardop af wat Alicia zegt van die gekkigheid, dat gedoe: ze vindt het mooi.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

vrijdag 18 oktober 2013

Une histoire française IV

Une chauve-souris

In de zwaar bewolkte schemering vliegen over de toppen van de hoog opgeschoten struiken die het smalle pad markeren, vleermuizen; pipistirelle. Overdag hangen ze aan de balken van de oude schuur. Aan de deurpost is het bord 'passage interdit' gespijkerd. Het bouwwerk staat namelijk beklemmend kreupel op de poten.
Met de trekzaag balkten mannen de gevelde bomen. De pruiken waren droog, het werk kon dus beginnen. De ezels die de bomen diep vanuit het bos wegsleepten legden de oren dan strak in de nek.
Het is goed om ver weg van huis te zijn en tegen de daken van andere huizen aan te kijken. De rommel in de buitenlandse tuinen te zien; omstandigheden hadden het bloed vergiftigd, vervuilde rivieren vraten aan de oevers, gevuld met kadavers stroomde het van hoofd naar hart.
Er klinkt een stem van een nieuwslezer uit een luidsprekertje in de taal die hij niet herkent. Van Veldhoven zoekt woorden die hij misschien kent. De haan kraaide vanmorgen klokslag zes, dat verstond hij.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 12 oktober 2013

Une histoire française III

Le vacances de monsieur Hulot

Die van hiernaast liet z'n duiven als eerste los; acht stuks om tien over zes. De vlucht vloog de brekende schemer in waar volgeladen wolken trager dan de vleugelslagen van noord naar zuid trokken; de winter schudt alvast het verenpak. Dan is er het geluid van een knarsend dakraam. De duiven van die van verderop klimmen in het zwerk.
Het is zondag op de Blés de Ferquent in Raventhun en Alicia leest de detailkaart van de omgeving; 1:25.000 dat wil zeggen dat één centimeter twee honderdvijftig meter is en regelmatig betrekt de lucht, zo ver haar oog reikt, tot de blauwe luiken in witte gevels achter de heg. Gisteren reikte het met gemak tot Folkstone's zonnige klippen, ze moest er flink voor langs het strand gaan tot voorbij de noordelijke punt hoog op de kust.
Vanachter de ligusters klinken de ongeduldige en droge knallen uit de dubbelloops geweren.
In de beschutting van de portakabin met aluminium afdak zit ze op een grijs uitgeslagen stoel aan een laag campingtafeltje dat bij elke zin die ze schrijft meedanst. In de caravan tegen over haar bedekt een vrouw het blote bovenlijf en doet dat in middelbare rust. Het is een man die dat doet, toch schrijft Alicia dat het een vrouw is, dat wil ze. Uit die caravan klinkt gedempt en onhoorbaar Frans.
Op het gegolfde aluminium waaronder ze zit loopt waarschijnlijk een vogel, naderhand blijkt het een Turkse tortel te zijn; 'de Turkse tortels koerden'. Dit politiek alles omvattende gedicht drijft haar geestestoneel binnen. Later als ze thuis is in de grote stad en de handbeschreven vellen overtikt wil ze de bundel pakken waar dit gedicht instaat; ze dacht dat Frank Koenengracht het schreef. Het boek is weg of verstopt op een plek waar het onvindbaar is.
Er komt een vrouw aangelopen, een Vlaamse. Zij vond dat ze in haar schooltijd veel vreemde talen moest slikken en haar man is bang dat alle Vlamingen door Nederlanders als rechts worden bestempeld; 'de Morgen is het enkelschoppen verleerd'; zo glijdt Vlaanderen af. Weer klinken er geweerschoten vanachter de struiken en duiven vullen de lucht tot en met de schemer. Achter Alicia's rug is de Vlaams vrouw in de weer, ze zou willen dat het een man was dat brengt rust. De jagers worden ongeduldig en verspillen hun kruit. In de portakabin bond de vrouw d'r haar strak naar achter en draagt nu een emmer mee, ze loopt achter de struiken weg in de richting van de jagers.
Omdat het zondag is kwamen de alledaagse geluiden later opgang maar nu die zijn er dan toch. Er is een merel die het aandurft te klakken en er beginnen auto's te rijden. Je kunt je er de mensen in voorstellen op weg naar de familie.
De bange man van de Vlaamse vrouw loopt langs en ondanks dat hij ziet dat Alicia met gebogen hoofd zit te schrijven bromt hij vertrouwelijk. Gisteren spraken ze kort met mekaar: jullie zeggen dit in het Nederlands en dan bedoelen wij er in het Vlaams dat mee. Wat hij waarschijnlijk niet weet – tussen de geweerschoten door – is dat onze landen een lappendeken van stervende dialecten zijn. En wat de één zegt wordt door de ander anders opgevat wordt. Hij onderscheidt zich met zijn Gents-dialect zegt-ie, het Nederlands is zijn tweede taal.
De vrouw in de caravan zet een vuilzak buiten; deze door-de-weekse-handeling heeft geen weet van getijden; het afgaand water tot aan het doodtij en dat de beste mosselen in emmers mee naar huis gaan. Alicia vertelt er de verhalen van; die van haar moeder die aan de Zeeuwse wateren woonde; delicatessen kocht je toen in de grote stad; je wachtte langer dan een uur op de bus eer je er was. Voor het zeekraal weigert ze tot op de dag van vandaag te betalen.
De jagers zijn gestopt en het is niet duidelijk of zij hun prooien; de fazanten, hazen en reeën, meedragen.
Het licht leistenen grijs heeft de lucht van rand tot rand gevuld en de tortel waagt het om vanuit de conifeer onder de afdak door te vliegen, het is voor niets beducht.Vanachter de guldenroede komt van Veldhoven aangelopen en op het as van het gedoofde vuur ligt een half verbrande pizzadoos; bolognaise. De kust is bezaaid met kiezels van ver voor onze tijd. Aan d'r linkerwijsvinger draagt Alicia een diepe wond die ontstoken is, ze steekt de vinger regelmatig in haar mond zo betert die. Dat gelooft ze nou eenmaal.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 5 oktober 2013

Une histoire française II

Moment d'or
De grijze lucht hangt hoog en oogt strak; marmer van het tweede garnituur. Niet het blauw dooraderde wit. 't Is de hemel, aardse schakeringen kent ze niet. Zeven rotsduiven slaan de slaap uit de borststukken.
Daar waar van Veldhoven zit is er geen sprake van een dunne lijn die hemel en aarde verbindt. Het zijn blauw luiken, opengeslagen tegen een witte muur en een caravan; lang onbewoond en het regent zo nu en dan. Korte buien van natte stof.
Achter de hoge coniferen, dunne wilgen en assorti kreupelhout wordt een auto gestart. Er was een tijd dat hij kon horen of het een Panhard, een Deux Chevaux dan wel een Renault Dauphine was; niets gaat meer schoksgewijs.
Op het pad waar-ie gisteren liep groef een aardhommel, die zijn rode kont als een signaallamp naar achteren stak, het winterverblijf. Met zes poten tegelijk duwde hij de zware zwarte grond achter zich weg.
Niets verbaast van Veldhoven omdat het de gang van zaken is zoals het kwel van de rivier.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

woensdag 2 oktober 2013

Niets beklijft

De gekromde mannen en hun levendige vrouwen kijken naar de hommel die zich als een infanterist ingraaft in een rode papaver. Één van die mannen is van Veldhoven. Híj kent iedereen in het dit gezelschap: Alicia is een de levendigen en zijn vrouw en de anderen zijn buren. – Alicia's buurman, in de grote stad, is van mening dat zij haar man pas haar man mag noemen als er sprake is van een huwelijkse staat. 'Hij kan me wat.'denkt Alicia.-
De buurman in de kleine stad zegt dat er sprake is van een aardhommel waar zij naar kijken. Van Veldhoven bestrijd die vaststelling niet. De verschillen tussen de hommelsoorten vind-ie te klein, biologen zullen de die verschillen goed kennen en er geen vergissingen mee maken. Dus zwijgt-ie. Dan klaagt de kleinsteedse buurman onverwacht dat zijn onlangs verworven kennis hem slecht beklijft en in het geval van het determineren van hommels al helemaal niet. Het ontlokt hem stampvoeten.
Alicia vraagt, tijdens de wandeling naar huis of van Veldhoven een gedicht van Tomas Tranströmer wil opzeggen. Hij weet er geen uit zijn hoofd, wel voelt-ie de koele bries ervan en vind het in een boek.
En de lijster blies met zijn lied op de beenderen van de doden.
Wij stonden onder een boom en voelde de tijd steeds dieper zinken.
Het kerkhof en het schoolplein kwamen samen en verbreedden
zich als twee stromen in zee.

De klank van de kerkklokken, gedragen door de tedere
hefboom van het zweefvliegtuig.
Zij lieten een machtige stilte op aarde na
en de kalme stappen van de boom, de kalme stappen van de boom.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®