vrijdag 28 oktober 2016

Sardientjes


Sardientjes uit blik, bij het ontbijt, de kop mag er wat haar betreft best nog aanzitten. Ze bedenkt dat het blik met die glanzende lijfjes in olie gedrenkt dan wel groter moet worden. Hoe fabrikanten dat productietechnisch aanpakken, daar haalt ze d'r schouders over op. Een knapperig wit broodje, een fijngesneden teentje knoflook en daarna een voor een de glimmende zilveren lijfjes voorzichtig van tussen de anderen weggetild, op het witte dekje gelegd. Neuriënd, de lippen losjes gesloten, dekt ze twee aaneengeschoven visjes met het andere deel van het broodje toe.
Van dooie vis met kop zoals gerookte makreel of bokking, die met plastic omhuld bij de super liggen, raakt zij niet van slag; van paling wel, de schubloze lijkenvreters. Het paardenhoofd met touw uit het water getrokken en dan die snotslangen kronkelend in de oogkassen, droegen bij tot de bestaande gruwel.
Door het eten van sardientjes komt dat typische gevoel, zoals na lange tijd weer eens een glas vino verde schielijk leegdrinken, die Zuid-Europese nonchalance en de Portugese handen.
De van elkaar onafhankelijke verkopers van ingeblikte sardientjes hebben de verrassende gewoonte de prijs van de blikjes in hun winkels te laten verschillen. Het scheelt een paar cent, maar het scheelt. In dit verschil en in de afstand tussen de winkels vindt zij haar ouders terug: vader het enige kind uit een welgesteld middenstandsmilieu en gespeend van vrekkigheid, moeder een van de elf uit een landarbeidersnest voor wie het maken van meters en minuten te voet, om het verschil van vijf cent per blik te overbruggen, noodzakelijk was. Wat je van ver haalt is lekker.
Door die vondst kocht zij in een winkel, een Aziatisch pakhuis op een industrieterrein aan de noord-oost kant van de ring, ver van het centrum van de stad, een blik met in olie gelegde sardienen. Had het de smaak te maken met die geur van zeewater zo vlak onder die zonnige kust? De Portugese handen in elk geval, lagen weer tegen d'r heupen.

donderdag 20 oktober 2016

Koninklijke mores


Oma en kleinzoon rijden met de trein langs de bosschages, die tegen de horizon aan, waarachter een paleis wordt vermoed. Dat lijkt het kleinkind wel wat, in een paleis wonen en in het woud er omheen spelen, voor lange tijd onvindbaar zijn, zijn ouders om hem horen roepen. Oma heeft voor de reis het zware bruine vest aangetrokken. Nu brengt zij het kleinkind de consequenties van de koninklijke mores in een paleis bij: 'je zou dan niet zomaar of ineens, zoals nu met mij, of later in je eentje, met de trein ergens naar toe kunnen gaan.'

donderdag 13 oktober 2016

Zondag



Twee jonge mensen, een oudere vrouw en een neo-vitale man rijden over 's lands wegen, een nieuw wegdek, een langere remweg en een stuk of zes ver uiteenstaande windmolens. Zij gaan noordwaarts en zien het gras in de berm achter de vangrails wuivend voorbijschieten. Voor hen rijdt een caravan, getrokken door een Zweedse familiewagen. Het is zondag. Een dag zonder kabaal. Morgen is dat anders.
Ganzen trekken in V-formatie over. Het is niet duidelijk of die gaan of komen. De afstand tussen de beweegredenen van de vogels en de kennis van het gezin over de jaarlijkse trek is even groot als de afstand tussen de klapwiekende vlucht en de voortsnellende auto.
Ondertussen is de caravancombinatie ingehaald. De man achter het stuur heeft zijn ogen tot het kijkgat van een M4 Sherman toegeknepen. Hij is op weg naar het strand. Daar zet hij de caravan stormvast in het zand, zijn campingstoel ernaast. Hij kent de meteorologische voorspelling voor vandaag en reciteert die tot de dag aanbreekt dat het weer opnieuw zo is.

donderdag 6 oktober 2016

De grote trom

Achter mijn rug kwettert een vrouw, zij is de presentatrice van een radioprogramma en vindt de paukenslagen in een klassiek moppie 'heftig'. Ik denk dat ze bedoelt dat het diepe indruk op haar maakt en het haar terugvoert naar een zondagmiddag waarin de plaatselijke fanfare door de straat marcheerde. Haar broer droeg de grote trom en sloeg extra hard toen hij zag dat zijn zusje langs de kant van de weg stond. Zo liet hij haar schrikken. Toen wist ze nog niet dat ze d'r handen tegen d'r oren moest doen. Die broer is in Schotland gaan wonen.

zaterdag 1 oktober 2016

Behalve vandaag draagt hij een grijze pet


Daarnet liep hij heen, nu terug, deze kant op. Heen viel dat blauwe hoedje niet op. Hij liep te ver van het raam, verderop langs de kademuur aan de overkant. De weg terug neemt-ie schuin onderlangs.

Als zij hem 's ochtends ziet en kijkend volgt, draagt-ie de grijze pet. De klok wil ze er niet op gelijk zetten.

Vanmorgen dus, droeg hij dat blauwe hoedje, zo'n katoenen kapje met een rondom flauw uitstaande rand. Zij buigt ver over de balkonrand om hem, langer dan vanachter de kleine schrijftafel bij het raam, na te kunnen kijken.

Als ze onder de afwas aan hem denkt, het benen handvat van de mergboor omklemt, golft haar onderbuik en kleuren d'r konen jodiumrood.