zondag 26 februari 2017

Denkbeelden


Tot weinig spreken bereid zitten zij, de vrouw en de man, aan haar tafel.
Er is een verschil in denken over het drinken van koe-, geiten-, en schapenmelk en de industriële aanwezigheid van goden of slechts één. Het verschil in denken is niet zodanig dat de zwijgzaamheid daar naar verwijst; de vrouw is verdiept in een boek, de man schrijf in een schrift.

Brengen zij hun meningen te berde, over het drinken van melk en het bestaan van goden, is dat niet om hem van de slechtheid van het drinken van melk en het bestaan van vele goden of slechts één te overtuigen, noch haar te overtuigen van het tegendeel. Beide zijn gesteld op parallelle werelden en pretparken en bezichtigen de denkbeelden.

Wat betreft het drinken van melk kan het voorkomen dat de man daarvan denkt dat de vrouw gelijk zou kunnen hebben, aan de industriële aanwezigheid van vele goden of slechts één twijfelt de vrouw niet.






© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 12 februari 2017

Van de bank opgestaan




Van de bank opgestaan, waar ik lag te lezen, om daarna in het notitieboek deze aantekening te maken, naar de leeszaal in het oostelijke deel gaan, aan één van de met schotten gescheiden werkplekken bij het raam dit boek neerleggen, benevens mijn aluminiumkleurige puntenslijper, twee potloden, het gele, het blauwe met gouden biezen, en het werk te corrigeren,

om te niet verzuimen af te stappen, niet door fysiek instinct gedreven verder te fietsen, het park vol fluisterende wandelaars in, en daar kuierend langs het naar de horizon toe versmallend grindpad te genieten van deze zonnige dag,

in de ruime, lichte zaal bij het raam te zitten, waarachter trams rijden, mensen in opzichtige werkkleding, met het hoofd in de nek, het hydraulische werktuig te zien bewegen, waar een man en een vrouw de hond uitlaten, – een echtpaar dat in een grootwarenhuis langs de uitstallingen dwalend, overlegt wat afzonderlijk door hen wordt begeerd? (zij hem en hij haar?) – ,

mijn zwarte korte jas over de rugleuning van de kuipstoel te hangen, in het shirt met korte mouwen een actieve indruk te maken.

Deze jas sla ik al seizoenen lang om mijn schouders, met de herinnering dat het die jas is die een buurjongen aan mijn zoon gaf. Hij accepteerde die, maar droeg 'em niet. Bij het keer op keer aandoen, speelt dit woordloze gebaar tussen twee vrienden zich weer af voor mijn geestesoog.

Deze zin overdenkend kijk ik op van het werk en zie aan de overkant van de straat een jonge vrouw met een sigaret tussen de lippen op een bejaarde man toelopen die onmiddellijk begrijpt wat zij hem wil vragen en haar zijn aansteker aanbiedt.

Ondertussen kluift een vrouw in de koninklijk oranje truitje, twee stoelen verder, hongerig ongestoord op de nagelriemen van haar linkerhand, denk ik dat de tram een dienstregeling heeft van om het kwartier te moeten vertrekken. Dan zit ik hier al anderhalf uur, bij tijd en wijle afgeleid door schuifelachtige geluiden die uit eerbied voor duizenden boeken en de dagelijks verse kranten in de leeszaal klinken,

aan de overkant een vrouw bij haar huis aankomt, een benedenwoning. Het grote raam aan de straatzijde is tot halverwege geblindeerd, haar binnenleven beschermend tegen de blikken van de voorbijgangers. Het geluid van de sleutel in het slot laat haar man met wanhopige blik reikhalzen over het geblindeerde deel. Eindelijk. In angstige spanning heeft hij op haar verlate komst gewacht, rusteloos vanwege een ongeduldige hond. Zonder om te kijken geeft zij met de linkervoet de deur een duw.

maandag 6 februari 2017

Wollen muts


De bezorger van kranten belt tijdens het werk met zijn moeder, die mijlen verderop, zuidwaarts, over een zes minuten zegt ze, de keuken in moet en een gloeiende hekel heeft aan het weer waarin haar zoon werkt.

Zij kent de wijk, de namen op bordjes in portieken die hij zoekend letter voor letter opleest, zijn vloeibare verhalen, en wil dat hij de wollen muts opzet.