maandag 26 juni 2017
O ja, dat water
Het wordt wel weer eens winter, een die opvalt. Tijd om nieuwe pantoffels te kopen om niet op koude voeten verder te gaan. Sloffen zeggen zij, zonder enig misprijzen, zeg maar sloffen.
Er lag weleens ijs op de binnenhaven, grijs water waar U 's morgens op uitkijkt.
Doodgemoedereerd kraste U achter hen aan. Dat hebt U nooit lekker onder de knie gekregen, schaatsen: diep zitten, handen op de rug en vooral ontspannen. De twee oudere zussen wezen het aan: “Kijk, zo moet het...”, en gleden weg. Vaders blik vernauwde dieper bij het zien van het stille ijs. Vanaf de stoppels van de rietkraag zag U zijn diepe zit.
Kwakkelwinters zijn het nu, craquelures op grijs water. Hetzelfde grijs als daarnet, spiegelend, dagelijks terugkerend.
Geen wolkje drijft langs nu U aan pantoffels denkt. De maan - om maar eens iets te noemen - staat bleekjes ver in het laatste kwartier, een boterham met oude kaas, en het ruime plein, door de dienst met stalen borstels 'onkruid-vrij' gehouden, leeg. Niets jaagt U meer op. Niet daar, niet voor de deur, niet over de galerijen boven het hoofd, niet de wenkende lome lijven, wit vlees onder het oppervlakte van dat grijs water van de binnenhaven, nattigheid, onderhuids.
De kinderen hebben het bedwongen, popelend zijn ze de oever opgegaan, de Grote Stad, de velden ernaast, nesten vol hagedissen en rode bloemen, klaprozen. Bokkigheid en melodrama haspelen Uw uren niet meer dooreen. Ze zijn klaar op deze veenbult van ouderlingen. Later, ja dan, dan klimmen zij glinsterend in processie opnieuw naar boven, vol parelmoeren ideeën over de ochtenden, staand voor het raam.
O ja, dat water...
Als ze opnieuw komen, ongedurig door het trage tempo van de tocht, leggen ze de benen na het eten niet op tafel om van de fles de bodem als begin te zien gloren.
De Grote Stad, daar, is vol mensen, er is elektrisch licht, trams en bussen. In de bibliotheek duizend boeken en in de winkels eten. Ochtend- en avondschemer. Iedereen bekend met zomer- en wintertijd en met ruwheid die de muren rond de citadel rechtvaardigen.
zondag 4 juni 2017
Ebenist
In de kamer met kleine ramen op het zuiden zit U aan het gepolitoerde meubel en opent de met kleurige houtjes ingelegde klep, schuift die kleine lade open en dicht en begint met het schrijven van brieven over verre familieleden. Dat Iberische bruin, het zal toch niet dat..?
De zoon van de ebenist komt langs zodra hem dat goeddunkt. Zijn armen als klepels langs zijn lijf, staat hij daar in de kamer en tuurt schattend naar het meubel. Van zitten heeft hij eens gezegd, met een stem zacht als van een bankbediende die geld telt, dat doe je in het cafe en dan drinken tot je bevredigd bent.
Zijn komst vandaag, in de kamer met de kleine ramen op het zuiden, is toch onverwachts. Deze man, denkt U, zet met gemak een blèrend schaap over een hek of trekt zingend als een IJslandse visser aan de riemen van een sloep, zijn maten aanmoedigend.
De herfst is al een eind op streek. Dat stelt gerust, zoals ook het zware bruine vest dat nu van de hanger kan worden gehaald. De regen spoelt door de goten en de zoon van de ebenist stampt in de hal de modder van zijn schoenen. Nu staat hij daar met het hemd tot de hals toegeknoopt. Daaronder vast en zeker die melkwitte borst.
Met een van die klepels houdt hij een plastic tas recht vooruit: “De lamp, die hoort er nog bij.” Hij is kleiner dan U dacht, zittend aan het meubel.
Hij woont bij de glooïngen verderop, waar hij zijn vrouw vond. Lachend als zijn favoriete houtrasp, voegt hij er graag aan toe.
's Nachts kijkt hij naar haar.
Nu moet U meekomen, Uw jas aandoen, het waait en er is kans op nog een bui. Gehaast doet U de brieven in de enveloppen, zegels erop en vraagt: “Staat de brievenbus daar nog,” hij knikt, “Is die al geleegd?” hij schudt de kop.
Abonneren op:
Posts (Atom)

