Niets beklijft
De gekromde mannen en hun levendige vrouwen kijken naar de hommel die zich als een infanterist ingraaft in een rode papaver. Één van die mannen is van Veldhoven. Híj kent iedereen in het dit gezelschap: Alicia is een de levendigen en zijn vrouw en de anderen zijn buren. – Alicia's buurman, in de grote stad, is van mening dat zij haar man pas haar man mag noemen als er sprake is van een huwelijkse staat. 'Hij kan me wat.'denkt Alicia.-
De buurman in de kleine stad zegt dat er sprake is van een aardhommel waar zij naar kijken. Van Veldhoven bestrijd die vaststelling niet. De verschillen tussen de hommelsoorten vind-ie te klein, biologen zullen de die verschillen goed kennen en er geen vergissingen mee maken. Dus zwijgt-ie. Dan klaagt de kleinsteedse buurman onverwacht dat zijn onlangs verworven kennis hem slecht beklijft en in het geval van het determineren van hommels al helemaal niet. Het ontlokt hem stampvoeten.
Alicia vraagt, tijdens de wandeling naar huis of van Veldhoven een gedicht van Tomas Tranströmer wil opzeggen. Hij weet er geen uit zijn hoofd, wel voelt-ie de koele bries ervan en vind het in een boek.
En de lijster blies met zijn lied op de beenderen van de doden.
Wij stonden onder een boom en voelde de tijd steeds dieper zinken.
Het kerkhof en het schoolplein kwamen samen en verbreedden
zich als twee stromen in zee.
De klank van de kerkklokken, gedragen door de tedere
hefboom van het zweefvliegtuig.
Zij lieten een machtige stilte op aarde na
en de kalme stappen van de boom, de kalme stappen van de boom.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
Geen opmerkingen:
Een reactie posten