maandag 17 september 2012

Auke

'Jááh', zegt Auke en kijkt naar de grond, 'Jááh', zegt'íe nog een keer en ziet aan zijn voeten schoenen die hij niet kent. Om te weten of het zijn voeten zijn waarop hij staat schuift hij ze een voor een van voor naar achter en weer terug op de plek waar ze stonden toen hij ze zojuist zag. 'Jááh', zegt hij nu voor de derde keer en heeft geen idee waarom dat woord uit zijn mond rolt, tenslotte wachtte hij en at vanaf het begin een boterham en sprak met volle mond die woorden uit. En deed dat zonder enige gedachte en dat was maar goed ook, zijn moeder zou hem er op gewezen hebben niet met volle mond te spreken en zeker niet zomaar tegen niemand en al helemaal niet op straat en dit uur van de dag. Je heet Auke, zei ze, met de au van goud. Zijn oren spitste vragend. Er was niemand op straat om er acht op te slaan, niemand keek om hem te beschimpen toen hij met volle mond de drie woorden uitsprak, naar de grond keek en die schoenen zag en zijn hart luchtte. Hij stak zijn linkerhand in de zak van het colbertjas dat hij van de kapstok plukte en aantrok en voelde tussen de huissleutels wat los geld en hij raadde het bedrag: vijf en tachtig cent. Het was niet genoeg om met de bus een reis te ondernemen, bij het einde van de straat zou het geld op zijn. Onderin de colbertjaszak zit het briefje, het heeft de maat van een visitekaartje dat een man gisteren aan Auke gaf, vluchtig las hij het en heeft het in de jaszak gestopt. Hij nam nog een hap van de boterham, want tijdens deze gebeurtenissen at hij verder. © Peter Prins.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten