zondag 19 april 2015

vingers

Een vrouw gaat in een nieuw huis een muur versieren met een ornament van papier. Dat gaat ze zelf maken. Zoiets kan ze. Ze heeft namelijk de handen van schaduwloze elfen en een stem die vertelt hoe zij het ornament in haar verbeelding ziet.

In de Grote Stad wil ze naar de papierwinkel. Die zat eerst om de hoek waar die nu is. Er kwamen mensen die vonden dat de winkel moest uitdijen tot aan de uiterste grens, daarna kromp de winkel weer ineen.

De lichte vingers van de vrouw raken aan het handgeschepte dikke Nepal (140 gram) en daarna aan het gevlochten, enigszins gekromde papyrus. Haar ogen toetsen de kleuren, de smidse van de verbeelding doet het grondige werk. Ze stelt praktische vragen over lijm en de winkelier geeft de naadloze antwoorden. Zij tasten elkaar af en door hun spankracht groeit het ornament in de juiste richting. Zij sluiten de koop. De winkelier rolt het Nepal en het papyrus in pakpapier zoals hij zijn kinderen aankleedt.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 5 april 2015

De kier

In een brief zou ik graag willen klagen over het, door de lokale overheid om bezuinigingsredenen, misschien voor altijd, uitgestelde onderhoud aan de openbare tuin. In het rondschrijven aan de buurt is alles wat nu vrij spel krijgt, beschreven, niet de grijze plekken in het gras vanaf het balkon goed te zien. In de klaagbrief zou ik meteen willen vertellen over de sensatie van weerzin die mij vult en waaraan ik niet herken of die afkomstig is van angst of lust bij het invullen van een formulier aan het loket met de wachtende persoon of van het horen van het geluid dat de harde wind in de kier onder de deur maakt; geluid van een blazende poes.

De poes is het enige dier waarmee ik dat geluid kan vergelijken omdat ik geen andere dierengeluiden ken. De dieren die ik ken zijn van foto's. Daarop zijn ze stil. In de beschrijving wordt niets verteld over het blazende geluid dat ze als afschrikkingswapen gebruiken.

Zoals aan veel in mijn huis ben ik gehecht aan de kier. Staand in de kleine hal boven aan de trap bij de gesloten deur voel ik de krachtige luchtstroom rond mijn blote enkels. Daarna perst die zich in de kier.

Toen ik mijn eerste huis huurde, echt op mijn zelf ging wonen, bezat ik naast een tafel, wat stoelen en spullen voor in het piepkleine keukentje, ook een poes. Het dier haalde ik op bij een vrouw die buiten de rand van de stad woonde. Het jonge dier werd geworpen door de moederpoes die, net als de vrouw, het buitenleven gewoon is. De regels daar zijn hun eigen.

Ik dacht dat bij het wonen op een etage een poes hoorde en dat ik me in gezelschap kon verontschuldigen omdat in mijn huis een onvoorspelbaar levend wezen op eten wachtte. Ook vroeg ik of er iemand was die het dier, dat zich voor een vreemde verstopte, in mijn vakanties kon verzorgen, iemand die in de makkelijke stoel ging zitten wachten om het dier uiteindelijk te kunnen aaien. Toen het krols werd, waaraan het geluid in de kier mij ook herinnert, bracht ik het naar de vrouw buiten de stadsrand, daar viel het mooi samen met de natuur.

Het klagen in de brief besluit ik tussen neus en lippen te doen omdat het herinneringen oproept aan de avonden alleen in bed luisterend naar geluiden, de muziek uit de cafe's.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

maandag 16 maart 2015

de grindoever en het glas

'Kijk, de hellingen en de lariksen en of die zwarte massief gearmd bijeen houden is niet bekend, evenmin of deze helling ooit door een waanzinnige beklommen is. Als dat al gebeurd is woont die in een van de verlaten nesten. De slenk hier is doorwaadbaar. Het water legt die kleine afgeronde gele kiezels vanwege de flauwe bocht aan de overkant. Daags na de winter wordt de oversteek zwaar en de grindoever lastiger te volgen.'

'… Row, row, row your boat'

'Het is een knieverwoestende mars naar de hoge natuurstenen brug met links de trap en in de uitgesleten treden de roestige gaten van een verdwenen leuning. Bij een glas worden de varianten door de steenzetters en Lansink uit de doeken gedaan; de leuning is weggerot, niemand gaat namelijk meer stroomopwaarts en steekt na die slopende tocht de slenk over om het laagste deel van de oever te beklimmen tot aan de zagerij, de brug ligt tenslotte hier. Van Veldhoven zaagde de leuning weg, die nacht, en zette hem als mast op het plein. Niks werd gezien, het is bedacht.'

'… Gently down the stream'

'Vanaf de brug maakt de straat een kromming en verdwijnt net als het water en Alicia naar zee, beneden. Met de winterzalm komt zij ook weer hogerop, klopt aan zijn kamer en legt d'r hand op de dij.'

'… Merrily merrily, merrily, merrily'

'Maar eerst, na de kromming, zijn er die ondiepe brede huizen, met deuren waaronder licht kruipt. Ruggelings staan die huizen tegen de basaltzuilen, dan het plein en de vijf witte strepen op het oude asfalt. Aan de overkant ligt de langgerekte dalende borstwering hoog genoeg om de armen op te leggen en smeltwater uit kelders te houden.'

'… Life is but a dream'

'Als je oversteekt word je nageroepen voor een glas en keer je halverwege om alsof je je bedenkt. Het drinken en het kijken naar de andere oever duurt tot het avondeten. Wagens met lange kale stammen maken zo'n hels kabaal dat de roep om het glas erin verdrinkt als in de kolk van het water bij de brug.'

'… Row, row, row your boat'

'Die gele grindoever gaat na oude oversteek verder, hogerop. Twee dagmarsen. Zonder hulp ben je daar. Na een afmattende week; het controleren van formulieren door halve analfabeten ingevuld. Dat allemaal kan je daar vergeten en aan de weg terug denken en aan het glas .'

'…Gently down the stream'

'Daar groeien ook de hellingen, het geluid en de bomen sneller dan je loopt, naar elkaar, daar is het niet van jullie, niet zoals het hier is. Je kan er niet zitten of er de nacht doorbrengen. Omkeren moet je en tenslotte steunend op de handen de trap beklimmen.'

'… Merrily merrily, merrily, merrily'



'… Life is but a dream'

maandag 9 maart 2015

In de kamer

Het dier is in de kamer en landt, na een hoekige vlucht, op de warme hand. Daar zit het een korte tijd en stijgt daarna naar het licht van de lamp.
Het gebruikt zuurstof. Het heeft geen longen en geen hart. Het beschikt over een buizenstelsel waarmee het dit chemisch element opneemt.
Zonder een hart wordt er geen helrood, kolkend bloed door de aderen gepompt en raakt het niet vergiftigt door jaloezie. Het zal niet lijden aan het breken ervan en snijden er geen scherven in de ziel.
Het zal niet de brief schrijven die met de flessenpost, drijvend op woelige baren, aanspoelt aan het witte strand en door de zielsverwant met betraande ogen gelezen. Het kan in de brief niet de verontschuldigingen maken dat de kleine vleugels zo' n verre reis toch onmogelijk kunnen dragen, dat een klaarlichte dag, weer en wind alles in de war zullen sturen. Evenmin zal het in de laatste alinea bidden om als verstekeling achter een neergeslagen kraag te schuilen om tenslotte aan het witte strand ineen te storten.
Het kent voortplantingsdrang, om de soort in stand te houden, het is verstoken van plichtsbesef. Het kent een kier waarin het eieren legt waaruit de larven kruipen die verpoppen tot het dier; de kleine vlieg. Het zal weten van de warme hand waarop het keer op keer kan komen zitten. Het gelooft niet dat het de koude nacht lang, hunkerend naar u en het aansteken van de lamp zal uitkijken.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 1 maart 2015

Aanhanger

Tussen de half opengeschoven gordijnen kijkt u een huiskamer in. Er brandt licht. Het kan uit, daar is niemand. Een vrouw drentelt halfluid pratend heen en weer tussen de gang en nat haar waarin ze moet zoeken. Ze is er druk mee. Ook met het weggaan en terugkomen en het opzetten van de bruine wollenmuts, de wolfsmuil. De winter nadert. Hongerig kijkt zij naar de bladerloze bomen en weet nog van de vette jas waaronder een zaag met grove tanden is verborgen. Het houthok moet vol. De kachel, het gietijzeren gevaarte waar omheen haar huis werd gebouwd, moet aan. Als zij op volle kracht gaat stoken fikt het huis erbij af. Ze moet het ding temperen anders staat er straks geen boom meer langs de weg.
Deze kinderloze vrouw kent een man die voor haar het huis bouwde. 'Hier is op het zand,' zegt hij, 'dat scheelt een hoop gelazer. Ik graaf een gat, leg de fundering en iedereen die ik ken heeft wel een aanhanger.'
Toen het huis klaar was moest de vrouw bij de rechter komen, het was niet orde zo; zonder slaapkamer is het geen woonhuis. Zij vroeg of het magistraat kippen bezat. Nee, dat deed het niet. Dan bezit het ook geen kippenhok meende zij.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

dinsdag 17 februari 2015

Gesprek

Van de natuurlijke gang maakt hij veel werk en poot het in zinken teilen op het kleine balkon. Hij is Aristoteles´ tuinman. In dat gesprek is er gedacht aan kleine roos. De angst voor rupsen, waterkerende zeeberen op het blad doorkruiste het. Hij schreeuwt liever als de kleine vossen aanwaaien.



zondag 1 februari 2015

Verplaatsen

Op het aanrecht lag een snipper aluminiumpapier. Daar gebleven na het openknippen van het koffie pak of zo'n pakje instantsoep waar uw dochter en zoon dol op zijn.
Bij het wegruimen van de vaat schoof u de snipper met een secuur gebaar naast de blauwe koektrommel. Op het deksel van de trommel is het portret van een lachend meisje afgebeeld, ze is een jaar of zes en lacht d'r melktanden bloot.
U pakte de snipper niet op. De vuilnisbak staat sinds een paar weken buiten naast de keukendeur, het was toen volop zomer.
Het is inmiddels het einde van de herfst maar de bak blijft buiten. Fruitvliegen, honden, katten en waterbuffels houden hun rug recht in de zelfzuchtige natuur.
Op de plek waar de vuilnisbak stond, groeien nu stapels boeken die weleens van pas kunnen komen als u bedlegerig wordt. Ook staat er een doos met kleertjes met een bundel brieven, bijeen gehouden door een roze lint.
De doos heeft lange tijd in de kast gestaan en kwam in het zicht door het verplaatsten van spullen. Het kan weg, het heeft een etherische toestand bereikt. De pin, waaraan de herinnering hing, liet los.
Op het aanrecht ligt een deugdelijk mes waarmee u in uw onoplettendheid weleens in de vingers sneed.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

(dit verhaal en anderen zijn voorgelezen in de theaterzaal van de OBA en in het boek; Van het Oosterdok 2014 gepubliceerd op 31-01-2015)

zaterdag 10 januari 2015

De geur van vlees

Als de wekker gaat, Van Veldhoven houdt z'n ogen stijf dicht en ziet zo twee blauwe laarzen met aan de korte schachten een wollen boord. Één staat, de ander ligt op de linkerzij. Ze zijn in het voorbij gaan naast een bank neergezet, terloops omdat de geur van vlees de aandacht ving. Daarom viel die laars om.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

vrijdag 26 december 2014

De zevende wet van Tsjechov

Ik vang een koe, een met horens, die melk ik en daarna ga ik naar de groenteman. “Dag groenteman.” “Dag zeer vereerde en welkome klant.” De groenteman ondervindt veel concurrentie van andere groentemannen en doet daarom overdreven vriendelijk, een beetje slijmerig eigenlijk. Ik zeg nogmaals; “Dag groenteman,” Nu kijkt de groenteman misprijzend, hij had mij tenslotte al vanuit het diepst van zijn gekwetste koopmanshart begroet en gaat dat niet nog eens voor de tweede keer doen, ook groentemannen kennen hun grenzen ook al komen velen van ver, vaak van buiten. “Waarmee kan ik u van dienst zijn?” vraagt hij. Bij ouderwetse groentemannen kan men niet zomaar de spullen die men nodig heeft pakken, zoals in de supermarkt. Bij een ouderwetse groenteman speelt men het toneelstuk van de bediening en de klandizie. De spullen die de groenteman verkoopt liggen in kisten buiten bereik van de klant, alleen de groenteman of zijn vrouw kunnen er bij, maar zijn vrouw is er niet, die haalt de kinderen van school en blijft op het schoolplein nog even wat napraten met een andere moeder die straks klant wordt in de groentewinkel, dan veranderen de verhoudingen drastisch, de klant is tenslotte koning en de groenteman slechts de groenteman maar de vrouw van de groenteman blijft zijn vrouw. Zij wordt niet de groentevrouw. Daarvoor heeft zij hartelijk bedankt. "Groenteman, binnenkort is het kerstfeest!' zeg ik. De groenteman knikt, ondanks dat hij niet van Nederlandse komaf is kent hij alle feestdagen uit het hoofd, een goede middenstander speelt bij zijn inkoop in op de komende feestdagen, ongeacht welke. “En omdat het feest wordt wil ik graag twee venkelknollen van u kopen, ja, twee!” De kisten in de winkel liggen vol allerhande groenten maar met twee venkelknollen ben ik al tevreden. “Dat is dan één euro en dertig cent, desgewenst kunt u pinnen. Mag ik u vragen of dit het is wat u gaat eten met de feestdagen?” “Beste groenteman ik ben gevraagd op een belangrijk diner en maak daarom venkelsalade en die koe, die is voor u want de zevende wet van Tsjechov schrijft voor; indien u in uw verhaal met een koe op de proppen komt moet u er aan het eind mee vandoor gaan, alsjeblieft en ze is reeds gemolken.”
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

dinsdag 23 december 2014

Monologue interieur

Er is een tijd geweest, in dit appartementsgebouw, dat men elkaars partner ruilde; man tegen man, vrouw tegen vrouw. Andere, meer exotische samenstellingen kwamen ook voor. Het was een drukke bedoening, veel overleg en altijd besloten met de vraag of deze of gene wakker moest blijven voor de thuiskomst van de ander en die de huissleutel al dan niet bij zich zou steken.
Al lange tijd hebt u noch een gezellin noch een uit de kluiten gewassen huisdier. Boeken genoeg, die leent u aan jan en alleman; hopla, neem maar mee en lees ze maar aan flarden. Soms brengt iemand zo'n gehavend exemplaar terug, vaak niet. Misschien schamen de mensen zich voor hun gedrag of raken gehecht aan het dan uitgewoonde exemplaar. U vraagt er nooit naar. Sinds u vrouw wegbleef bent u het missen van eigendommen domweg vergeten.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

maandag 15 december 2014

Een sarabande voor quatre-mains

Glanzende handen zijn het van kiemende, tastzinnige mannen; twee broers. Een rechterhand houdt het gereedschap vast en de linker ondersteunt. Van de andere twee zijn de pinken, ringvingers en de twee middelvingers afwachtend luchtig gekromd. Ze belommeren de duimen en de wijsvingers.
Het instrument is helder opgebouwd, draden hangen er gekruld bij en worden bijeengehouden met dunne zwarte kunststof binders, bij gelegenheid ook met korte stukken kleefband. Alleen de verbeelding kan er iets in zien. Ze werken aan een goed ontwikkeld instrument, of ze poseren: dan liggen ze er als stromannen tegenaan. Het gereedschap dat vastgehouden wordt heeft de vorm van de aloude schroevendraaier; een handvat met een stang van metaal en aan het uiteinde een platte of gekruiste kop. Nu eindigt de stang in een dop waarin de kop van een bout past die in of op het instrument vastgezet wordt, door een fijne zachte trefzekere jongenshand met pianissimo gespreide vingers, gehoekt aan de losse pols.

© P. Prins / Pen & Papier in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 7 december 2014

De naastgelegen ruimte

'Na een kort ziekbed overleed de schrijver'. Alicia schrok even van deze zin, uitgesproken in het journaal. Een mooi woord vond ze dat; 'journaal'. Dat het stand houdt en niet zoals parapluie werd versimpeld. Even dacht ze aan 'Hersenschimmen', én dat er wel een mooi overzicht van het leven en werk van de schrijver zal komen. Vrienden vertellen dan verhalen en de uitgever zal de man bewieroken. Tot die tijd zal Alicia met de gedichten van Tomas Transströmer op schoot wachten.
Later die dag, het was zelfs al ver in de middag, kreeg ze zin om met Van Veldhoven te zoenen. Om dat te doen moet ze naar de Kleine Stad.
Langs de weg naar het station hingen geen zwarte banieren; de koning was misschien niet dood. In de Kleine Stad had de vrouw van de tweedehandsboekwinkel aan de gracht de etalage ingericht met het werk van de schrijver. Verbaasd zagen Alicia en Van Veldhoven die uitbundige lofzang, de grote stapel boeken.

in deze doolhof van letters

in deze doolhof van letters
zoek ik naar een gaatje
om u een stukje buitenlucht te tonen
of een kinderhandje dat hoepelt.
ik kan wel schrijven akst mik strlos
en bedoelen dat ik niet te spreken ben
maar men zal toch binnenkomen
ik moet verstaanbaar uw werkelijkheid
ontvreemden als een zakkenroller.

oh ik geniet als ik u wanhopig
naar het oude evenwicht zie grijpen
apodictisch conferencier is de dichter
een mol die 's nachts uw land openwroet
en 's morgens staat u veranderd en bevreemd
naar zijn nagelaten werk te staren

het is geen kunst
als stilstaand water diepe gronden te hebben
de dode speelgoedpop met de gebarsten kop te strelen
maar onder de oppervlakte stromend
steeds weer nieuwe huid te voelen
dit gevecht is eindeloos en zonder uitzicht
daarom verlaat de dichter zijn vers als een bedelaar.

vrijdag 28 november 2014

Salamander

Een straffe Russische wind waait het land binnen en eigenlijk is Van Veldhoven een cynicus met een winterjas van ironie. Zo houdt-ie zich staande. De buitenlucht is door de aanhoudende wind droog, droger dan het zeeklimaat, dat in de regel als een natte lap over het land hangt. Vandaag en de dagen ervoor en erna laten een strakblauwe hemel zien. 's Nachts, eind maart vriest het een graad of twee, overdag niet, maar het volk mort. Het wil de terrassen op, blootshoofds. Maar net als de halsbandparkieten houdt het zich goddank schuil.
Alicia leest over zijn schouder mee en kent-em langer dan vandaag, al jaren zegt ze en vindt-em geen onbeschaamde zak. Ze vraagt waarom Van Veldhoven voor harde spotter poseert; de waarheid is een salamander, legt-ie haar uit.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 23 november 2014

Dick

In 1973 had Van Veldhoven een vriend: Dick. Dick woonde aan de Ferdinand Bolstraat en werd bouwkundige om bruggen te slaan in een land in Afrika. Van dat continent kenden ze alleen de zuidelijkste punt en het boerenbedrog.
Ze dronken bier en rookten nog sigaretten. Dick vertelde dat hij in zijn studie had geleerd dat mensen soms plannen maken die zo enorm groot zijn dat ze het eind ervan niet kunnen zien, laat staan dat ze kunnen weten wat die plannen precies kosten. Na een droge of natte lente ken je ook van aardappelen de prijs niet, de aarde is namelijk rond, betoogde hij.
Ze verloren mekaar uit het oog omdat ze jong en de horizonten geen waterlinies waren. Dankzij de moderne plannenmakers 'ziet' Van Veldhoven Dick regelmatig en hoort'ie het betoog.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 9 november 2014

Donderdag

Of die donderdag dan voor het raam in het kleine huis in de Kleine Stad. Aan de overkant werden één voor één de lichten ontstoken en bewogen de vrouwen voorzichtig rond het meubilair. Zij woonden ook in kleine huizen, net als Van Veldhoven. Die sliep nog. Hij had een vrije dag.

Trouw aan haar gewoonte stapte Alicia om zes uur uit bed. Dronk wat water en ging toen voor het keukenraam staan om naar buiten te kijken. Of zij toen de handen op de rug of over elkaar geslagen voor de borst had dat weet ze niet meer. Ze lette er niet op, haar ogen gingen langs de ramen in de gevelrij. De deuren waren voor de nacht goed op slot gedaan. Geen bewaker was er nodig, met knuppel en riek, om een hongerige beer op afstand te houden, met het manshoge beest in gevecht te gaan om tot slot een flinke mep te krijgen van de zwaar benagelde klauw. Het gezicht van de onverschrokkene zou zijn opengehaald, de zachtmoedige jeugdigheid verdwenen en zijn spieren gestaald.
Dat handelsmerk zou over zijn wang getrokken zijn en als een lopend vuurtje door de beknelde buurt gegaan. Met het bekraste gezicht eiste hij dan zijn opslag óf zijn reputatie achterna gaan.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 1 november 2014

De natuur rukt op

Eerste luitenant Lansink tilt de koffers uit zijn auto en vloekt, zoals gewoonlijk. Sjouwen dat doe je in de hitte van een ander land, met het wapen op je schouder, desnoods met een gewonde kameraad.

Door de openstaande keukendeur praten zij. Hij zucht, 'Het was een lange rit. Ik zat in een huisje van een kennis, in de buurt van Sluis. Die rijdt daar elk weekend naartoe. Daar moet je toch niet aan denken.'

Voor d'r geestesoog ziet Alicia d'r vrijer, de altijd te dun geklede Van Veldhoven, door het gebied dwalen en met de mensen spreken die er wonen. Mooie rustige woorden wisselen zij uit, in een vergeten tempo. Soms zijn er jonge mensen in beeld die ook in de schoot van dat land wonen en de gang van zaken voor lief nemen, ze kennen drift noch weidse gebaren.

Zij vertelt Lansink er over.

'Ik had angst,' zegt hij, 'voor de daar wellicht heersende bekrompenheid, die oprukkende natuur, vretend aan al het cement. De Hedwigepolder ligt daar toch ook in de buurt?' Alicia beaamt dat. 'Ik zag al van die borden staan.' zegt Lansink.

vrijdag 24 oktober 2014

Grafeen

“De stortvloed van gegevens over het menselijk brein tot op het niveau van individuele hersencellen samenbrengen.” Van Veldhoven kijkt Alicia die het voorleest aan alsof dit het is wat hun alsnog samenbindt. Jaren achtereen waren ze verwijderd van elkaar, maar nu zit zijn zus, sinds haar komst drie dagen geleden, aan tafel en leest er de kranten.
“Het gaat dooien.” Van Veldoven knikt in de richting van het raam, “de beken zullen vollopen en dan de uiterwaarden bij de stad. Deze grond ligt hoog, gelukkig.”
Alicia vouwt de krant dicht en kijkt hem aan; tien minuten later geboren, ze herinnert het wachten op hem. Ze ziet zijn verschoten hemd en dito broek, de nieuwe, hooggesloten schoenen.
“Grafeen”, ze laat de e's langgerekt klinken en vlak voor de 'n' zakt haar stem, “geldt als een Europese uitvinding.” Ze steekt daarbij haar linkerhand met de wijsvinger gestrekt op.
“En de jaarmarkt,” wil Van Veldhoven weten, “hoe zit daarmee?”
“Geen woord over gelezen,” antwoordt zij. “Zolang de marktmeester onvindbaar blijft is het wachten geblazen, lijkt me.”
Door het venster zien zij schouder aan schouder de maan in het eerste kwartier staan en horen ze het smeltwater stromen.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®


maandag 6 oktober 2014

Jongens

Het zijn de jongens. Opgeschoten hangen ze in de schommels en tegen de schuttingen van de tuin en gingen over de dijk. Ze hadden één winterjas. Spogen vanaf de brug in het kanaal.
Bewapend en geharnast door de smartphones sleuren ze de schepen het strand af de woeste branding door naar het kalme water er achter. Klimmen aan boord en knopen de jekkers, onder moeders ogen tot boven aan toe. Met hun sterke lijven roeiden ze tegen het aanrollende water in, niets werpt ze terug en daarachter wachten ze op de wind.
Ze verheffen ook hun stem, roepen en bemoedigden. Het guldenvlies tenslotte is tussen de stammen gespannen, daar. Die kusten gaan ze aandoen en er vuren stoken.
Ook onzichtbaar zullen ze worden in de schemer van een herfst, maar nu roeren ze als jong vee, de jongens, ongedurig bijeen.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

Scene 6

De laatste brief van die dag werd geschreven door een jonge vrouw die u, tot dan, niet kende.
Met de postbode, waarbij de benen op tafel lagen, besprak u een veranderende gedachte, namelijke om de kozijnen eerst te poetsen en dan de rest. Gelukkig maar, want het af en aan van de man riep meer vragen op, antwoorden bleven uit. Bijgevolg lag er een berg werk.
De jonge vrouw, volgens haar brief met stevige kuiten en zonder omslagdoek, om maar eens wat te noemen lichtte ze toe, zocht uiteenlopende redenen om in tranen uit te barsten. Zij dacht daarbij aan onbekende dode dieren, het liefst uiteenliggend. Nooit zag ze zoiets, weleens in een spreekwoord over gehoord. Het kon toen geen tranen doen plengen. Misschien dat mannelijke pinguïns de waterlanders loswrongen. Zou er ergens onrecht zijn dat haar kon worden aangedaan, door een vreemde hopelijk, iemand die duwde en voordrong aan de kassa.
Het liefst van alles zou ze stromen als een volwassen bergbeek, haar armen als een delta uitreikend naar jan en alleman. Het leek haar onmogelijk zichzelf daartoe, hoe dan ook te dwingen.
Na het lezen ademde u zwaar; de brief moest maar een mooie bestemming krijgen.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

donderdag 8 mei 2014

De koers

In een getapt praatprogramma, dat 's avonds zeven uur uur op de televisie van start gaat, sprak een vet gekuifde man zijn bewondering uit over de in eenzaamheid aan cocaïne gestorven Italiaanse wielrenner Marco Pantani; de olifant, dit vanwege z'n oren.
Als die wielrenner een wedstrijd reed gaf hij als het ware licht, zoveel slikte hij om maar als eerste de eindstreep te halen. De gekuifde man prees de Italiaanse wielerfans vanwege hun trouw en verering van Pantani.
Morgen gaat de 'Giro' weer van start, de op de één na beroemdste wielerkoers. Dit was de reden voor de man om over zijn herinnering aan en adoratie voor deze wielrenner te vertellen. De vertelling werd geïllustreerd met een fragment waarin je kon zien is hoe je dankzij een medicijnkast een vernietigende demarrage plaatst. Tijdens de komende 'Giro' zal Pantani een paar keer gememoriseerd worden.
Ik herinner mij de man in een eerdere aflevering van het programma, even als ik is hij een liefhebber is van de fietssport. En alom wordt geroepen dat die nu 'schoon' is en we gaan genieten van het 'nieuwe' fietsen. De minste kan nu ook van achteruit als eerste de meet over. De man wees eens bestraffend naar de Amerikaanse wielrenner die als een bedrieger was ontmaskerd; hij won volgespoten met epo zeven keer in een rij de 'Grande Dame'.
Ik weet niet of de Fransen die ronde ook zo noemen. In het programma waarin de man sprak worden namelijk in korte tijd zoveel superlatieven gebruikt dat ik denk dat het in alledag de gewoonte is je zo uit te drukken.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®