donderdag 23 augustus 2012
Het wijde water
Gisteren liep ik op een zeker moment te lanterfanten, stond op vanuit mijn stoel aan tafel en ging, door de hal, die de entree vormt van het gebouw waarin ik woon, naar buiten en sloeg links af. Aanvankelijk aarzelde ik, zou ik wel linksaf gaan en niet recht door, de route die ik met mijn vrouw, na het eten graag loop. Aan de overkant van het wijde water, in het noorden stonden de bomen van het Vliegenbos, de kruinen nog vol blad, ze waren ternauwernood van mekaar te onderscheiden, ertussen de barakken en de schoorsteen van Ketjen. Op het water enkele schepen – of zeg je boten –, misschien wel rijnaken, zo nu en dan een plezierjacht dat met vol zeil afstevende op het IJsselmeer. Aan de wal was er geen bedrijvigheid meer, twee mannen stonden geleund tegen hun auto en keken net als ik het water over, ze spraken zacht en wezen daarbij, naar de Oranjewerf. Onhoorbaar werd daar gewerkt, draaiden de lieren en ik stond in de schaduw van het gebouw, een koele plek. Achter mijn rug schilderde een andere man de planken voor zijn studio, hij was blij een onderkomen gevonden te hebben om zijn werk te doen en glom. We spraken kort met elkaar en ik bewonderde zijn laminaatvloer en hij nodige mij uit, 'kom kijken als ik klaar ben, het wordt mooi, erg mooi.' Ik liep door, om het gebouw heen in de schaduw van de bomen die vanuit mijn raam te zien zijn, waar ik graag van vertel. M., een buurvrouw zaaide in de publieketuin stokrozen die nu torenhoog stonden, het zaad was rijp, dat verontruste mij niet. Later die dag, het was al avond ging ik naar bed en las het boek niet uit, omdat ik vermoeid was, knipte het licht uit, hield het boek in mijn linkerhand op mijn borst en viel in slaap. Toen ik wakker werd lagen het boek en de hand naast elkaar op het kussen waar anders het hoofd van mijn vrouw zou rusten als ze bij mij is.
© Peter Prins.
donderdag 8 september 2011
met het kind tussen de benen de oren gepitst
om de dansende woorden niet te missen
de buigingen het frĂȘle een en ander te voelen
dat de huid trilt en punten waarin
een snel weg schietend meisje
niet te missen is een opgeschoten knul
de lokroep haar tenten opslaat
het vuur stookt brood kneedt het dansen doet
de bergen niet te missen het zand stuift
de tranen in de ogen brengt
de taal en het een van het ander
de bekers delen als een vers
dat van mond tot mond tot handen
en voeten en ogen en lippen en
zo verder tot aan de volgende dag
om de dansende woorden niet te missen
de buigingen het frĂȘle een en ander te voelen
dat de huid trilt en punten waarin
een snel weg schietend meisje
niet te missen is een opgeschoten knul
de lokroep haar tenten opslaat
het vuur stookt brood kneedt het dansen doet
de bergen niet te missen het zand stuift
de tranen in de ogen brengt
de taal en het een van het ander
de bekers delen als een vers
dat van mond tot mond tot handen
en voeten en ogen en lippen en
zo verder tot aan de volgende dag
over passie en gestreken zeilen
ademt een zeeman de verzeilde tijd
in stad en haven had hij een meid
in arm en ziel het weerbarstig reilen
afgemeerd geen kust nog te begeren
waarnaar mannen dromend snakken
om liefde en schoonheid uit te pakken
de tomeloosheid niet de rug te keren
in de woorden die nu volgen
geen ommekeer die erin schuilt,
zegt juffer, goud wordt ruggelings gedolven
met het puntje van de tong en pruilt
hartstocht vaart in golven
stormenderhand en huilt
ademt een zeeman de verzeilde tijd
in stad en haven had hij een meid
in arm en ziel het weerbarstig reilen
afgemeerd geen kust nog te begeren
waarnaar mannen dromend snakken
om liefde en schoonheid uit te pakken
de tomeloosheid niet de rug te keren
in de woorden die nu volgen
geen ommekeer die erin schuilt,
zegt juffer, goud wordt ruggelings gedolven
met het puntje van de tong en pruilt
hartstocht vaart in golven
stormenderhand en huilt
zaterdag 13 augustus 2011
Abonneren op:
Posts (Atom)