woensdag 20 november 2013

Diplomatiek


1) Beleidvol 2) Behoedzaam 3) Gewiekst 4) Handig 5) Oorkondenleer 6) Omzichtig 9) Staatkundig 10) Slim 11) Tactisch 12) Tactvol 13) Zeer voorzichtig 14) Zeer omzichtig.


Van Veldhoven knipt de televisie aan en ziet dan de journaallezer die vertelt-em wat-ie straks te zien krijgt; er er zal een man gaan spreken. In het volgende beeld komt de aangelopen met naast hem een andere man die het papier draagt en het op een spreekgestoelte legt. De eerste man is de hoofdrolspeler. Voorzichtig leest hij voor wat hij heeft gedaan en met wie hij heeft gesproken; dat de strijdende partijen tegenover elkaar staan in dit conflict. Het is een wat oudere grijze man, hij draagt een bril en zijn naam wijst er op dat hij in de regio, het geografisch aaneengesloten gebied, geboren zou kunnen zijn en zo verstand van zaken heeft opgedaan. Hij spreekt de Engelse woorden die hij samen met de andere man heeft ingestudeerd, zacht uit, dat moet wijsheid en bescheidenheid uitdrukken.
In de hal van de supermarkt staat een vrouw met de daklozenkrant, haar zachte begroeting en ootmoedigheid wekken irritatie bij Van Veldhoven. Als de vrouw genoeg verdient heeft gaat ze buiten op de betonnenbank zitten om met haar vrienden en vriendinnen bier te drinken en breeduit klinkend de toestand van wereld te verklaren; niets trilt.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

Diplomatiek

1) Beleidvol 2) Behoedzaam 3) Gewiekst 4) Handig 5) Oorkondenleer 6) Omzichtig 9) Staatkundig 10) Slim 11) Tactisch 12) Tactvol 13) Zeer voorzichtig 14) Zeer omzichtig.

Van Veldhoven knipt de televisie aan en ziet dan de journaallezer die vertelt-em wat-ie straks te zien krijgt; er er zal een man gaan spreken. In het volgende beeld komt de aangelopen met naast hem een andere man die het papier draagt en het op een spreekgestoelte legt. De eerste man is de hoofdrolspeler. Voorzichtig leest hij voor wat hij heeft gedaan en met wie hij heeft gesproken; dat de strijdende partijen tegenover elkaar staan in dit conflict. Het is een wat oudere grijze man, hij draagt een bril en zijn naam wijst er op dat hij in de regio, het geografisch aaneengesloten gebied, geboren zou kunnen zijn en zo verstand van zaken heeft opgedaan. Hij spreekt de Engelse woorden die hij samen met de andere man heeft ingestudeerd, zacht uit, dat moet wijsheid en bescheidenheid uitdrukken.
In de hal van de supermarkt staat een vrouw met de daklozenkrant, haar zachte begroeting en ootmoedigheid wekken irritatie bij Van Veldhoven. Als de vrouw genoeg verdient heeft gaat ze buiten op de betonnenbank zitten om met haar vrienden en vriendinnen bier te drinken en breeduit klinkend de toestand van wereld te verklaren; niets trilt.

vrijdag 8 november 2013

De weg van de wind

Door de schrale takken van de liguster in de pot op het balkon, verschijnt het gehelmde hoofd van een man. Een lift brengt hem met geraas tot bij de kruin van de plataan in het publieke plantsoen.
Alicia woont zo'n acht meter boven het maaiveld schat ze. De man staat op het plateau van de hydraulische lift. In zijn handen heeft hij een motorzaag. Zo nu en dan houdt hij het apparaat in de lucht, laat de tweetaktmotor als een kermisattractie razen. Hij zaagt er mee de takken uit de boom, takken vol blad. Aan de voet van de boom staat zijn collega, die raapt de takken bijeen en steekt ze in een hakselaar, die er met brullende orgastische kracht snippers van maakt.
Het is half zeven in de ochtend, het was een kille nacht. De winter nadert en zal, zo wordt voorspeld, ijzig koud zijn. Van Veldhoven kroop uit voorzorg dicht tegen Alicia aan en knorde genoeglijk.
De machines stoppen, Alicia kan niet zien wat er aan de hand is, misschien is het koffiepauze. Misschien schrijft de wet voor dat de mannen, ondanks hun enorme oranje gehoorbeschermers, de transparante viziers en armen als boomstammen door het tillen van het zware gereedschap, het werk moeten onderbreken om in gebed te gaan. Door het raam ziet ze hoe de wind door de takken gaat en het blad haar toewuift.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 3 november 2013

Groeien

Het stormde en er werd gewaarschuwd over de radio: ga vroeg van of naar huis. Er braken takken van bomen, flinke takken, takken die jaren achtereen groeiden, vrucht droegen, blad verloren en die dag braken. Ze vielen door elektriciteitsdraden van het spoor heen en blokkeerden de doorgang. De boom, door het verlies uit balans, helde weg van de leegte. Op het perron klonk een stem uit de luidspreker die de twee wachtende broers verwees.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 27 oktober 2013

Beker

Van Veldhoven schudt het zaad uit de gedroogde bieslookbloemen, klein en zwart en vraagt of 'klein' en 'zwart' bij bieslookbloemen hoort of bij de zaadjes. Wat de A.N.S daarvan zegt? Alicia kan er niet mee uit de voeten. Het lukt haar niet iets op gang brengen.
Van een brief, waarin de val van Constantinopel in 1204 wordt beschreven, vouwt van Veldhoven een beker en laat het zaad erin glijden vanuit zijn tot een kom gekrulde warme hand. Hij nodigt Alicia uit om door de stad te kuieren.
Hun ogen raken ingesteld op de geveltuinen, de bloembakken aan de ramen, en de zinken emmers waarin de mediterrane goudsbloemen staan. Intussen landt André Kuipers op de steppe van Kazachstan, zijn collega's zijn zichtbaar aangedaan, dat steken ze niet onder stoelen of banken. Van Veldhoven vraagt zich hardop af wat Alicia zegt van die gekkigheid, dat gedoe: ze vindt het mooi.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

vrijdag 18 oktober 2013

Une histoire française IV

Une chauve-souris

In de zwaar bewolkte schemering vliegen over de toppen van de hoog opgeschoten struiken die het smalle pad markeren, vleermuizen; pipistirelle. Overdag hangen ze aan de balken van de oude schuur. Aan de deurpost is het bord 'passage interdit' gespijkerd. Het bouwwerk staat namelijk beklemmend kreupel op de poten.
Met de trekzaag balkten mannen de gevelde bomen. De pruiken waren droog, het werk kon dus beginnen. De ezels die de bomen diep vanuit het bos wegsleepten legden de oren dan strak in de nek.
Het is goed om ver weg van huis te zijn en tegen de daken van andere huizen aan te kijken. De rommel in de buitenlandse tuinen te zien; omstandigheden hadden het bloed vergiftigd, vervuilde rivieren vraten aan de oevers, gevuld met kadavers stroomde het van hoofd naar hart.
Er klinkt een stem van een nieuwslezer uit een luidsprekertje in de taal die hij niet herkent. Van Veldhoven zoekt woorden die hij misschien kent. De haan kraaide vanmorgen klokslag zes, dat verstond hij.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 12 oktober 2013

Une histoire française III

Le vacances de monsieur Hulot

Die van hiernaast liet z'n duiven als eerste los; acht stuks om tien over zes. De vlucht vloog de brekende schemer in waar volgeladen wolken trager dan de vleugelslagen van noord naar zuid trokken; de winter schudt alvast het verenpak. Dan is er het geluid van een knarsend dakraam. De duiven van die van verderop klimmen in het zwerk.
Het is zondag op de Blés de Ferquent in Raventhun en Alicia leest de detailkaart van de omgeving; 1:25.000 dat wil zeggen dat één centimeter twee honderdvijftig meter is en regelmatig betrekt de lucht, zo ver haar oog reikt, tot de blauwe luiken in witte gevels achter de heg. Gisteren reikte het met gemak tot Folkstone's zonnige klippen, ze moest er flink voor langs het strand gaan tot voorbij de noordelijke punt hoog op de kust.
Vanachter de ligusters klinken de ongeduldige en droge knallen uit de dubbelloops geweren.
In de beschutting van de portakabin met aluminium afdak zit ze op een grijs uitgeslagen stoel aan een laag campingtafeltje dat bij elke zin die ze schrijft meedanst. In de caravan tegen over haar bedekt een vrouw het blote bovenlijf en doet dat in middelbare rust. Het is een man die dat doet, toch schrijft Alicia dat het een vrouw is, dat wil ze. Uit die caravan klinkt gedempt en onhoorbaar Frans.
Op het gegolfde aluminium waaronder ze zit loopt waarschijnlijk een vogel, naderhand blijkt het een Turkse tortel te zijn; 'de Turkse tortels koerden'. Dit politiek alles omvattende gedicht drijft haar geestestoneel binnen. Later als ze thuis is in de grote stad en de handbeschreven vellen overtikt wil ze de bundel pakken waar dit gedicht instaat; ze dacht dat Frank Koenengracht het schreef. Het boek is weg of verstopt op een plek waar het onvindbaar is.
Er komt een vrouw aangelopen, een Vlaamse. Zij vond dat ze in haar schooltijd veel vreemde talen moest slikken en haar man is bang dat alle Vlamingen door Nederlanders als rechts worden bestempeld; 'de Morgen is het enkelschoppen verleerd'; zo glijdt Vlaanderen af. Weer klinken er geweerschoten vanachter de struiken en duiven vullen de lucht tot en met de schemer. Achter Alicia's rug is de Vlaams vrouw in de weer, ze zou willen dat het een man was dat brengt rust. De jagers worden ongeduldig en verspillen hun kruit. In de portakabin bond de vrouw d'r haar strak naar achter en draagt nu een emmer mee, ze loopt achter de struiken weg in de richting van de jagers.
Omdat het zondag is kwamen de alledaagse geluiden later opgang maar nu die zijn er dan toch. Er is een merel die het aandurft te klakken en er beginnen auto's te rijden. Je kunt je er de mensen in voorstellen op weg naar de familie.
De bange man van de Vlaamse vrouw loopt langs en ondanks dat hij ziet dat Alicia met gebogen hoofd zit te schrijven bromt hij vertrouwelijk. Gisteren spraken ze kort met mekaar: jullie zeggen dit in het Nederlands en dan bedoelen wij er in het Vlaams dat mee. Wat hij waarschijnlijk niet weet – tussen de geweerschoten door – is dat onze landen een lappendeken van stervende dialecten zijn. En wat de één zegt wordt door de ander anders opgevat wordt. Hij onderscheidt zich met zijn Gents-dialect zegt-ie, het Nederlands is zijn tweede taal.
De vrouw in de caravan zet een vuilzak buiten; deze door-de-weekse-handeling heeft geen weet van getijden; het afgaand water tot aan het doodtij en dat de beste mosselen in emmers mee naar huis gaan. Alicia vertelt er de verhalen van; die van haar moeder die aan de Zeeuwse wateren woonde; delicatessen kocht je toen in de grote stad; je wachtte langer dan een uur op de bus eer je er was. Voor het zeekraal weigert ze tot op de dag van vandaag te betalen.
De jagers zijn gestopt en het is niet duidelijk of zij hun prooien; de fazanten, hazen en reeën, meedragen.
Het licht leistenen grijs heeft de lucht van rand tot rand gevuld en de tortel waagt het om vanuit de conifeer onder de afdak door te vliegen, het is voor niets beducht.Vanachter de guldenroede komt van Veldhoven aangelopen en op het as van het gedoofde vuur ligt een half verbrande pizzadoos; bolognaise. De kust is bezaaid met kiezels van ver voor onze tijd. Aan d'r linkerwijsvinger draagt Alicia een diepe wond die ontstoken is, ze steekt de vinger regelmatig in haar mond zo betert die. Dat gelooft ze nou eenmaal.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 5 oktober 2013

Une histoire française II

Moment d'or
De grijze lucht hangt hoog en oogt strak; marmer van het tweede garnituur. Niet het blauw dooraderde wit. 't Is de hemel, aardse schakeringen kent ze niet. Zeven rotsduiven slaan de slaap uit de borststukken.
Daar waar van Veldhoven zit is er geen sprake van een dunne lijn die hemel en aarde verbindt. Het zijn blauw luiken, opengeslagen tegen een witte muur en een caravan; lang onbewoond en het regent zo nu en dan. Korte buien van natte stof.
Achter de hoge coniferen, dunne wilgen en assorti kreupelhout wordt een auto gestart. Er was een tijd dat hij kon horen of het een Panhard, een Deux Chevaux dan wel een Renault Dauphine was; niets gaat meer schoksgewijs.
Op het pad waar-ie gisteren liep groef een aardhommel, die zijn rode kont als een signaallamp naar achteren stak, het winterverblijf. Met zes poten tegelijk duwde hij de zware zwarte grond achter zich weg.
Niets verbaast van Veldhoven omdat het de gang van zaken is zoals het kwel van de rivier.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

woensdag 2 oktober 2013

Niets beklijft

De gekromde mannen en hun levendige vrouwen kijken naar de hommel die zich als een infanterist ingraaft in een rode papaver. Één van die mannen is van Veldhoven. Híj kent iedereen in het dit gezelschap: Alicia is een de levendigen en zijn vrouw en de anderen zijn buren. – Alicia's buurman, in de grote stad, is van mening dat zij haar man pas haar man mag noemen als er sprake is van een huwelijkse staat. 'Hij kan me wat.'denkt Alicia.-
De buurman in de kleine stad zegt dat er sprake is van een aardhommel waar zij naar kijken. Van Veldhoven bestrijd die vaststelling niet. De verschillen tussen de hommelsoorten vind-ie te klein, biologen zullen de die verschillen goed kennen en er geen vergissingen mee maken. Dus zwijgt-ie. Dan klaagt de kleinsteedse buurman onverwacht dat zijn onlangs verworven kennis hem slecht beklijft en in het geval van het determineren van hommels al helemaal niet. Het ontlokt hem stampvoeten.
Alicia vraagt, tijdens de wandeling naar huis of van Veldhoven een gedicht van Tomas Tranströmer wil opzeggen. Hij weet er geen uit zijn hoofd, wel voelt-ie de koele bries ervan en vind het in een boek.
En de lijster blies met zijn lied op de beenderen van de doden.
Wij stonden onder een boom en voelde de tijd steeds dieper zinken.
Het kerkhof en het schoolplein kwamen samen en verbreedden
zich als twee stromen in zee.

De klank van de kerkklokken, gedragen door de tedere
hefboom van het zweefvliegtuig.
Zij lieten een machtige stilte op aarde na
en de kalme stappen van de boom, de kalme stappen van de boom.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 28 september 2013

Gesmeed

In de kleine stad togen van Veldhoven, zijn kinderen, Alicia en de twee broers naar de rand van de Biezenlandsepolder om met graskransen in het haar en onder algemeen en opstuwend gejubel over vuur te springen.
Het werd het zomer. Op een open plek aan de rand van het struweel verzamelden zich kleurig geklede mensen, die het gebruik om op de avond van Sint Jan over vuur te springen in ere houden. Ze stoken het vuur dan hoog op en de dappersten onder hen springen er over. Als een jongen en een meisje dat doen is hun band, door het oplaaiende vuur voor eeuwig gesmeed.
Nog niet op de hoogte van deze duiding waagden de twee broers ook een sprong.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

dinsdag 24 september 2013

Prometheus

Vannacht woei de Tibetaansedroom door van Veldhoven's slaap.
In het hoogland waar hij toen lag, rustend en ademend, wachtten vogels met krachtige snavels en machtige klauwen. De droge wind hield alles in stand, niets kon bederven.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 21 september 2013

Une histoire française I

Camping

Ze zijn in Frankrijk; Alicia, van Veldhoven en de kinderen, in Versailles en kamperen ieder afzonderlijk in een eigen tentje dicht tegen een megalomaan paleis aan; zoals Alicia dat noemt. In de tijd van permanente bewoning van het gebouw was het een komen en gaan van metselende bouwvakkers en harkende hoveniers. Hun gekrioel zal de koning en het drieduizendtal personeel een worst geweest zijn evenals het in getal even groot aantal bezoekers die nu als een stampvolle metro door de Galerie des Glaces boemelen. Tussen de portretten zoekt Alicia die van Jean-Charles Pichegruin in wiens gelederen Maggiel Rison meeliep die Pieternelltje van Koot in Weesp bezwangerde, in 1798. Zij werd de moeder van een nieuw geslacht waar Alicia deels uit voortkomt.
Nu zijn ze in een land waar overwegend Frans wordt gesproken. Toch hoort Alicia staande tussen de hoog opgesnoeide bomen op de camping, het dwingende Nederlands van een vrouw, die haar man de les leest en hardop het boek 'hoe het moet met mijn nieuwe tent'. Ook de smeekbeden van een jong kind het nooit meer te zullen doen en er werkelijk spijt van te hebben en tot slot nog een kans te willen krijgen voor de nacht zijn slaapzak dichtritst. Het gejammer vult alle kieren als laag hangende mist en de stalen blik van een ouder ploegt door de verse grond en plaatst er piketpalen. Tenslotte roept het kind zijn vader aan. De laatste trein van die dag rijdt van rechts naar links achter de gesloten ogen van Alicia. Frau Holle houdt vannacht de hand van het kind vast.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

woensdag 18 september 2013

Scene 3

Er waren alleen gepelde pinda's in het spel en vier ervan lagen op de lange houten tafel, met hun donkere bruinrode vliezen ernaast.
Alicia legde op één ervan de wijsvinger en rolde het met kleine bewegingen van links naar rechts. De twee blanke kevers draaiden met poten tegen de borst op hun rug.
Het was een winderige dag, de keukendeur trok ritmisch rammelend aan de haak. Toch was het nog volop zomer, midden op de dag zelfs. Er drongen geluiden van buiten naar binnen; een touringcar die door van Veldhoven met brede gebaren naast de stoep werd gezet. Hij genoot van de stille straat en de gelijkmatige bebouwing; de opeenvolgende smalle zeventiende-eeuwse gevels. Zijn grootvader was aalmoezenier, meer wist hij er niet van, wel dat dat een bijzonder woord was.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

vrijdag 13 september 2013

De jonge steur

Van Veldhoven loopt op het door zijn sterke voeten aangestampte pad naar de winkel. Het is vroeg, stil en de leigrijze hemel maakt hem niet neerslachtig. Het is droog. Zijn tas hangt, met de band schuin over zijn rechterschouder langs borst en rug, op de linkerheup. Vanmorgen heeft-ie er een boek in gedaan, het behandelde de oorsprong en ontwikkeling van alle reptielen. Het boek was stevig gekaft en zou de jaren lange studie goed hebben doorstaan. Hij brengt het terug omdat hij gisteravond in het nieuws een verslag volgde over het uitzetten van een jonge steur. Een dier dat als volwassen exemplaar drie en halve meter lang wordt en dan twee tot drie honderd kilo zwaar zal wegen. Het jonge dier werd uitgezet in de Nieuwe Waterweg, een open verbinding met zee.
Door de alom heersende honger tussen de grote rivieren verdween de steur.
Ook zag de van Veldhoven een foto van woeste hologige vissers die op de rug van zo'n dier zaten als was het een ingespannen paard. Zij hadden de vis, onveranderd sinds de prehistorie, met z'n achten, dus met man en macht uit het water gesleurd.
© P. Prins

zondag 8 september 2013

Kuip

De accuboormachine van een zéér betrouwbaar merk, omklemd door de gore knuist, rust op de dij van het rechtbeen dat van Veldhoven over het linker sloeg nadat-ie met die machine, waarin een nieuwe tien millimeter houtboor stak een gat boorde in een bruine plastic kuip die Alicia bij het goeiendoelenwinkeltje kocht.
Zij stortte zware zwarte grond in de kuip en zette er jonge sla in.
Naast die kuip zit-ie nu op een klapstoel, die gisteren nog langs de kant van de weg stond, te wachten tot de kat van de buren door het gat van de schutting sluipt en in de verse aarde een vlag zal planten. Met soepele pols weegt-ie tot die tijd de zéér betrouwbare machine.
© P. Prins

zondag 12 mei 2013

Argentinië aan het IJ (oefening in wereldvreemdheid)

een tiental jaar geleden huurde ik het huis. Het staat op een eiland in de haven van de grote stad, en is door een smalle dam verbonden met het vasteland, waarop gebouwen staan met namen aan de gevels die wijzen naar overzee. Het schijnt dat er hier onlangs een koning voorbij voer, enkele uren daarvoor had hij nabij een andere dam zijn handtekening geplaatst waarmee hij deze titel verwierf. Of er volk is geweest dat hem vanaf de wal toejuichte weet ik niet, lot en liefde stuurde mij naar de kleine stad waar destijds op de hardstenen treden van een trap een door kogels verwonde man stierf.
Het wordt met de dag lichter en warmer en ik verheug me op het bloeien van de liguster. De struik die ik uit het gelid van vele haalde en op het balkon zette. Er naast staat een blauw houten stoel waarin ik dan zit en de hommels, waarvan ik de ondersoorten begin te herkennen bekijk.
De deur en een enkel raam in huis staan op de haak, de nacht heeft zo vrij spel en de merel, nog voor de tram rijdt, zingt. Dat is anders als ik een uur later aan tafel zit een naar het ontvouwde blad van de plataan kijk aan de takken hangen krijsende parkieten, dit geluid vermengd zich niet met het mauwen van een penseelaapje.
© P. Prins

maandag 22 april 2013

Lamento; de heldere dood

's Morgens, in het blauwe uur kijk ik naar een korte film over Remco Campert. Hij wordt in het zonnetje gezet en leest een fragment uit een gedicht, ik moet erdoor aan mijn stervende zus denken. Een paar dagen geleden zette ik, voor de boekenkast een foto van haar neer. Een jeugdfoto, die werd gemaakt in de tijd dat de schrijver zijn bekendste boek schreef; Het leven is vurrukkulluk. In die kast zoek ik naar het verzameld werk waarin de gedichten van de schrijver staan. Het is weg en ik denk na over wat er gebeurt is; ik gaf het misschien wel weg, klare taal is namelijk het pijnlijkst.
Lamento
(Remco Campert)
Hier nu langs het lange diepe water  dat ik dacht ik dacht dat je altijd maar  dat je altijd maar
hier nu langs het lange diepe water  waar achter oeverriet achter oeverriet de zon  dat ik dacht dat je altijd maar altijd
dat altijd maar je ogen je ogen en de lucht  altijd maar je ogen en de lucht  altijd maar rimpelend in het water rimpelend
dat altijd in levende stilte  dat ik altijd zou leven in levende stilte  dat je altijd maar dat wuivend oeverriet altijd maar
langs het lange diepe water dat altijd maar je huid  dat altijd maar in de middag je huid  altijd maar in de zomer in de middag je huid
dat altijd maar je ogen zouden breken  dat altijd van geluk je ogen zouden breken  altijd maar in de roerloze middag
langs het lange diepe water dat ik dacht  dat ik dacht dat je altijd maar dat ik dacht dat geluk altijd maar
dat altijd maar het licht roerloos in de middag  dat altijd maar het middaglicht je okeren schouder  je okeren schouder altijd maar in het middaglicht
dat altijd maar je kreet hangend  altijd maar je vogelkreet hangend  in de middag in de zomer in de lucht
dat altijd maar de levende lucht dat altijd maar  altijd maar het rimpelend water de middag je huid  ik dacht dat alles altijd maar ik dacht dat nooit
hier nu langs het lange diepe water dat nooit  ik dacht dat altijd dat nooit dat je nooit  dat nooit vorst dat geen ijs ooit het water
hier nu langs het lange diepe water dacht ik nooit  dat sneeuw ooit de cipres dacht ik nooit  dat sneeuw nooit de cipres dat je nooit meer

vrijdag 19 april 2013

de orde van de dingen

Ik moet snel zijn met schrijven want het blauw van de vroege ochtend vergrijst, daarna vallen mijn handen en hoofd stil en moet ik weer naar buiten kijken. Daar ligt een gebouw als een dooie in het gras. Eerst dacht ik dat het een vergeten dier was van Siberisch vlees. Het is een amoebe gevuld met plasma niet gevoelig voor het zware weer waaronder de zon schijnt. Er raast een brommer van oost naar west. De moeder belde, zus heeft het moeilijk, ze is ziek. Ik schreef zus, mijn zus een kaart omdat de telefoon in haar huis niet opgenomen werd; de dood is de enige reden daar is niets raadselachtigs aan.
Toen Chuang Tzu's vrouw stierf, kwam zijn vriend Hui Tzu medeleven betui gen en vond Chuang Tzu neergehurkt, zingend en trommelend op een pan. Hui Tzu zei: 'Jij woonde bij haar, kinderen opgevoed met haar, en werden samen oud. Is alleen maar huilen is niet voldoende, maar nu ben je aan het drummen en zingen. Is het niet een beetje te veel? " Chuang Tzu zei: "Dat is niet hoe het is. Toen ze net was overleden, dacht je dat ik niet huilde. Maar ik keek terug naar haar begin en de tijd voordat ze werd gebo ren. Niet allen de tijd voordat ze werd geboren, maar de tijd voordat ze een li chaam had Niet alleen de tijd voordat ze ze een lichaam had, maar de tijd voordat ze een geest bezat. Te midden van de wirwar van wonderen en mysteries vond er een verandering plaats en had ze een geest. Nog een verandering en ze had een li chaam en werd ze geboren. Nu is er een andere verandering en is ze dood. Het is net als de komt van de vier seizoenen, lente,zomer, herfst en winter. Nu ligt ze in een grote kamer. Als ik ga jammeren en huilen zou ik laten zien dat ik niets zou begrijpen van het lot. Dus stopte ik.
Chuang Tzu onthield zich van die gewoonte; de menselijke cultuur. Taoïsten geloven in eenvoudige begrafenisrituelen.
Chuang Tzu, (ca. 369 v.Chr.-286 v.Chr.), was een Chinese dichter en taoïstisch filosoof uit de klassieke periode van de Chinese filosofie. Hij wordt een mysticus en een soort Quiëtist genoemd.
© Peter Prins

zondag 7 april 2013

zus

De brommer van de krantenjongen knettert langs het huis. Het zal wel een scooter zijn, geen bromfiets dat is een fossiel. Gisteren was ik bij mijn oudere zus op bezoek in het Antonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis. Op bezoek zijn is anders dan op visite. Mijn zus en ik liepen in onze middelbareschooltijd een krantenwijk, 's morgens vroeg dwaalden we door de straten van de tuinsteden in het westen van de grote stad. Dat deden we niet voor ons eigen genoegen, daarmee hield het gezin waaruit we voortkwamen het hoofd boven water. Ik weet niet of mijn zus een brommer bezat, niet dat ik het vergeten ben, ik was er niet bij of het wel of niet zo was. We waren pubers en vielen tijdens de les weleens in slaap. Toen ik aan het bed zat waarin mijn zus lag, spraken we zachtjes alsof we jong waren en niemand in het gezin onze woorden mocht horen, toch hadden we geen heimwee.
© Peter Prins

woensdag 27 maart 2013

De natuur is niet menselijk

In het noorden worden de schaatsen ondergebonden en krassen over het ijs van de opgespoten polder. Dat het nog zo koud en onderwerp van gesprek is beheerst de mens. In de ijle luchtlagen boven de noordpool steeg de temperatuur onverwacht en het hogedrukgebied straalde met kracht invloed uit en liet een straffe wind waaien. Opgezweept door de aanhoudende kou begon het volk te morren.
Voor het huis krijsten zo nu en dan halsbandparkieten, de kou verdreef ze, goddank. Ik kan alles verdragen maar deze vogels niet. Daar staat namelijk niets anders tegenover dan de pindavoerende mens.
Wat vroeger mijn angst was, alleen op de wereld te zijn wordt zo langzamerhand mijn wens; de verschuiving van stadsmens naar landman, van gillende trams naar krakende rietkragen. Wij, het gezin waarin ik opgroeide woonden een paar jaar aan de rand van de stad. Tussen ons en het dorp halverwege lag een kleine tuinderspolder. Een enkele koe kon er zijn draai vinden. Er groeide gegroepeerde bomen, bossen vond ik toen. Meidoorn, een enkele berk, bomen met arm dikke stammen, daar bouwde ik mijn hut.
© Peter Prins