donderdag 17 september 2015
Stadsman
Het is zo'n zomerse dag. Het kwik stijgt naar diep zuidelijke waarden. Nieuwslezers roepen een weervrouw enthousiast toe of er al een of ander record is gebroken.
'Bijna!', schreeuwt zij, 'het scheelt een achttiende graad.'
'Hoe gaat het nu verder? Is een invasie van exoten te verwachten?'
'Nee! De hemel zal vanuit het westen dichttrekken, de wind zal toenemen en avontuurlijk weerlicht en donder komen aanrollen.' en zij wijst op de foto die eerste luitenant Lansink vanuit zijn uitkijkpost naar de studio overseinde.
Van Veldhoven veert op als het bevrijdende geraas klinkt, geen B25 Mitchel met brooddroppings. Niets doet hem meer plezier dan regen op snikheet asfalt. Onbeschroomd staat-ie op het balkon, snuift de industriële stadslucht op, zijn torso gloeit er van.
donderdag 20 augustus 2015
Een Noorse bakkerswinkel
Er is geen aanwijzing, niet in het boek dat vader leest of in de stem die hem doorgaans het een en ander influistert maar is zijn conclusie; 'ik richt een Noorse bakkerswinkel op...!'
Aan de basaltstenen achterwand hangt hij een smalle plank waarop gevlochten broden moeten gezet. De ruimte tussen de toonbank en de muur is klein, kleiner dat dan hij er begrip voor heeft, een man én een vrouw van normaal postuur kunnen er niet keren.
De platte broden zet hij als moderne romans voor het winkelraam en een vrouw met fijnbesneden gezicht en oplichtende ogen gaat er naar vragen. Eerst wrijft ze aan haar schort de handen droog.
Vader kent deze soort, zij vangen meeuwen, bijten ruwweg de kop van de kabeljauwen en met beekheldere stemmen stellen zij vragen over het brood.
donderdag 6 augustus 2015
De kuip

De accuboormachine van een betrouwbaar merk, door de gore knuist omklemt, nadat met de machine, waarin een tienmillimeter houtboor steekt, een gat geboord is in een bruine plastic kuip die uw vrouw bij het goeiedoelenwinkeltje kocht, rust op de dij van het rechterbeen dat over het linker is geslagen.
Zij stort zware zwarte grond in kuip en zet er jonge sla in.
Naast die kuip zit u, als de gehuurde jager, op de klapstoel – aan de stoeprand gevonden – en wacht tot de kat een klein gat in de schutting zal gebruiken de tuin in de sluipen om in de verse aarde haar vlag te planten. Met soepele pols weegt u de machine.
zaterdag 25 juli 2015
Wemelen
Overal in huis hangen zeer kleine spinnen. Als die niet worden gedood zal het over een maand wemelen van de woest tandenknarsende dieren. Kastdeuren moeten met zorg worden geopend om de gesponnen draad niet te breken.
Maanden is hier op gewacht...
En er bestaat een dier dat onder de huid van anderen eieren legt. De bult, zo groot als een steenpuist, is dan het nest. Als de gezwollen puist op het hoofd opengaat zoeken de jonge dieren tussen de haren een uitweg.
In de tuin slaat de merel aan. Die waarschuwt de jongen voor de poes.
Op spinnen, fruitvliegen en muizen na, worden in huis geen dieren verzorgd en opgejaagd.
Wemelen is een fijn woord als weerwil, Wim en waarachtig.
zondag 19 juli 2015
Oeverloze fantasieën
De kast staat net niet tegen de verwarming aan, er is een kier gelaten. Eerst werd er aan een gleuf gedacht, dat het wel zoiets zou zijn, daar leek de ruimte te krap voor. In de nauwe ruimte worden de plastic tassen bewaard.
De linkerelleboog rust op tafel en de wijsvinger drukt tegen de lippen, de archetypische houding achter het beeldscherm; ... is het 'bewaren' wat er in de kier gebeurt?
Het zijn de tassen uit de Franse supermarkt, vaal versleten maar nog bruikbaar. Het is opbergen, net als de borden van het servies. Het verschil is dat de tassen in de kier gepropt worden en de borden in de kast niet. Het proppen gebeurt zonder die broeierige gedachte die in een overvolle trein ontstaat.
Toen de tassen tussen de kast en de verwarming werden weggetrokken, is er een herinnering aan de broers: één van hen is op pad de ander gaat met de koffie aan tafel zitten en hoort de klok. Van hun laaggedakt huis, halverwege de helling, staan de ramen open. Gisteren was er daar beneden reuring. Het water dat er naartoe stroomt was tot aan de rand gestegen. Wrakhout, dachten beide mannen weer eens, dat zou daar van pas komen, net als een vlot. Maar hier in de buurt kan er geen schip vergaan en het magnetisch veld, is hier niet.
Zij verkiezen de helling boven het dal en oeverloze fantasieën inplaats de handen uit de mouwen te steken.
Het is fijn aan de broers te denken alsof het familie is.
zondag 12 juli 2015
Kraag
Collega B draagt graag geruite hemden en daarover een vest met opstaande kraag, van wol, niet te dik of te dun, tot halverwege dichtgeritst.
Om tien uur schuift hij zijn toetsenbord van zich af, opent een plastikzakje en bij het nemen van een enorme hap waarbij de helft van een dubbele boterham tussen zijn kaken verdwijnt, knikt hij u vriendelijk toe. Tijdens het malen wordt het zakje weer dichtgeknoopt en verdwijnt in de tas.
Iets verder weg op zijn bureau staat een glas water waaruit hij kleine slokjes neemt. Niks gulzig naar binnen klokken en uit de mondhoeken laten sijpelen van genadeloos stervende dorst. Om half één komt er een andere collega binnen, zijn vriend, die hem gebaart mee naar buiten te gaan. Als het drie uur is gaat de tas weer open en verschijnt de appel.
U houdt van kleine appels, de Elstar. Als dat seizoen voorbij is wilt u weleens de Jonagold eten.
B zet zijn tanden in de appel en gebruikt ze als een wig waarmee de appel wordt klemgezet, met de rechterhand duwt hij de appel omhoog en krakend laat er een deel los dat dan onverbiddelijk malend zal verdwijnen.
In het geluid van het losscheurende deel ervaart u de beproevingen van het verloren paradijs, haar ondergang, smeltende poolkappen, provinciegrote ijsschotsen die hun weg naar de evenaar zoeken.
Uit eerbied en onvermogen ten opzichte van zijn ijzeren orde dicht u de collega de scheppende kracht toe. En u, de dwalende, de dolende, die Lilith aan uw zijde verkiest boven Eva, kijkt ademloos toe.
Eén keer droeg B een wit overhemd. Het was van moderne snit met een kraag waarvan de punten niet naar de borst wezen maar op het sleutelbeen rustten. Doordat de knoopjes van het hemd in een ander ritme waren vastgezet dan bij de geruite overhemden was een deel van de plek waar de sleutelbeenderen zich gelukzalig aan het borstbeen vastgrepen, zichtbaar.
Na het compliment dat u hem gaf heeft B dat hemd niet meer gedragen.
dinsdag 7 juli 2015
Wendingen
In pyjama gaat u aan tafel zitten en regen valt loodrecht uit de hemel. Goudsbloemen en anemonen blijven gesloten.
Het Grote Licht doet u niet aan. Omdat er ruimschoots vaalgrijs hangt haalt u uit de andere kamer de Kleine Lamp en denkt aan de tijd dat de mensen met dit weer dicht bij het raam zijn gaan staan om de brief te lezen.
Gisteren, op weg naar huis las u Naar de andere oever van Ilse Aichinger. Op een tussenstation stapten twee jonge mensen in die naar uw oordeel te dik waren. Zij droegen papieren zakken waarin to go eten zat. Zij zagen elkaar in de ogen, hielden de handen vast en spraken met zachte stem. U droomde de moed te bezitten vragen te stellen. Zij vertellen dat het een keuze is zo te zijn. Geen overwogen keus zoals u die maakt om in pyjama aan tafel te gaan zitten. 'Dit zijn de wendingen, de weg immers, is geenszins bestendig', zal de vrouw u terechtwijzen, de man zal haar instemmend knikkend bijvallen en u zult beschaamd het boek weer opnemen.
Aan hun taal te horen kwamen zij van ver.
dinsdag 30 juni 2015
Licht
...u weet niet hoe het is gekomen, laten wij het daarop houden, al die scherven zo op de schotel. Gesteund door uw handen richt u het hoofd op.
Dat het een kopje was, is niet lang geleden. Maar op de minuut af weet u het niet. Ook weet u niet hoe het brak en de oorzaak van de val. Viel het? En ook niet hoe de scherven op de schotel kwamen en het geheel op tafel terecht kwam waaraan u nu zit te peinzen. Het licht is aan. U hebt nog gevraagd of u het was die het aanstak.
Uw ogen laat u half gesloten om niet te zien, niet om het licht door de oogharen te laten temperen en de vlijmscherpe randen te verzachten en het kopje opnieuw tot leven te brengen; de ogen sluiten half en u weet niet hoe dat komt...
Dat het een kopje was, is niet lang geleden. Maar op de minuut af weet u het niet. Ook weet u niet hoe het brak en de oorzaak van de val. Viel het? En ook niet hoe de scherven op de schotel kwamen en het geheel op tafel terecht kwam waaraan u nu zit te peinzen. Het licht is aan. U hebt nog gevraagd of u het was die het aanstak.
Uw ogen laat u half gesloten om niet te zien, niet om het licht door de oogharen te laten temperen en de vlijmscherpe randen te verzachten en het kopje opnieuw tot leven te brengen; de ogen sluiten half en u weet niet hoe dat komt...
dinsdag 16 juni 2015
Ontleedkunst
Op gezette tijden, waar hij geen weet van heeft als zijn lijf op de bank ligt, waarschuwt de vrouw. Zij heeft een regelmatig humeur, een fijn besneden gezicht, laat etudes klinken en schikt de groenten. Met die vanzelfsprekende handen trekt zij stukjes huid van de man af - en passant, verklaart ze - en legt die, tijdens het gelukkige huwelijk, met wat botten alvast bij elkaar.
maandag 8 juni 2015
Toverros
Langs het voet na voet ontstane pad wordt gelopen naar de verre winkel. Met een band vanaf de schouder schuin langs borst en rug hangt de tas op de heup. Het boek over de oorsprong en verdere ontwikkeling van reptielen is er ingedaan. Het wordt teruggebracht vanwaar het is gekomen.
Gisteravond namelijk, zag men een verslag waarin werd verteld dat de steur als volwassen dier driehonderd kilo kan wegen bij een lengte van drie en halve meter.
Door de eens heersende en knagende honger tussen de Grote Rivieren verdween de steur.
Men zag de foto van hologige woeste visser die op de rug van zo'n dier zaten als op het Toverros. Zij hadden het, onveranderd sinds de prehistorie, met man en macht uit het water gesleurd.
Jonge vissen zijn daarom uitgezet in de waterweg, een open verbinding tussen zoet en zout.
Dat was voldoende.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
maandag 1 juni 2015
Terloops
De ochtend begint zoals altijd met het huishoudelijk gedoe. Er klinkt een dissonant die haar hoofd opricht: vingers die in de Mazurka te langzaam naar het volgende akkoord gaan, een werkwoord dat op een andere plaats wordt gezet. Dat verbaast, net als het zien van versleten handen die het goed uit de machine trekken en het fijne linnen op het rek hangen.
Ze sliep licht, vervelende kussens hoopten onder het dek.
Buiten riep een dier een ander dier.
Ze wil de ochtend zelf zien wel weer in zijn driedelig grijs met een mooie das; van hem weglopen nadat de schilfers van de schouders zijn geveegd in de terloopsheid van alle handelingen.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
Ze sliep licht, vervelende kussens hoopten onder het dek.
Buiten riep een dier een ander dier.
Ze wil de ochtend zelf zien wel weer in zijn driedelig grijs met een mooie das; van hem weglopen nadat de schilfers van de schouders zijn geveegd in de terloopsheid van alle handelingen.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
dinsdag 26 mei 2015
Bodhisattva
De ruisende regen maakt u wakker, toch sliep u niet, u zit aan tafel met de ellebogen aan de weerszijden van het boek, beide handen tegen het hoofd.
Op de bank ligt de krant, slordig gevouwen. Die is daar door de berichtgeving geïrriteerd achtergelaten. Het is een krant vol klachten van mannen en vrouwen die campings beheren, hoteleigenaren en -tot uw verrassing - overkoepelende organisaties en belangenverenigingen. Een nieuw spoor is gevonden waarover de kar kan rijden: het weer, een achtbaan.
'De menselijke geest raakt in de war door voorspelling van de weersverwachting op lange termijn. Dat maakt de mensen wantrouwig en houdt ze alleen maar binnen. Ze durven niet naar de belendende provincie af te reizen, om uitheemse zandruggen en bossige vennen te bezichtigen. Weermannen en –vrouwen zouden moeten benadrukken dat na de regen weer zonneschijn komt en de mens tussen de buien door er best nog even uit kan, snel een hotelletje, het bed in, er weer uit, de uitsmijter verorberen, afrekenen, weer naar huis, en dat het gras ergens anders groener is, een weide gevuld met antilopen.
Over het weer in het verre zuiden moest maar eens gezwegen worden, daar wonen de potverteerders, lapzwansen, verschrikkelijke mensen. Daar schijnt de verzengende zon en blakert de aarde almaar zwarter. Dat moeten ze zeggen.'
Hier hoort u de regen ruisen. Ergens verderop wordt hinder ondervonden, een hond die achter een andere aanrent en daarbij blaft, de leiband om de enkels wikkelend, een deur die niet goed wil sluiten omdat de vingers van een huilende man ertussen zitten.
U staat aan de kant en houdt u stevig vast aan de mening dat u niet meespeelt, dat u niet vergiftigt bent – om mani pad me hum – dat u een bodhisattva bent, u bent wat door de kamer gaan lopen en overweegt een trui aan trekken.
Op de bank ligt de krant, slordig gevouwen. Die is daar door de berichtgeving geïrriteerd achtergelaten. Het is een krant vol klachten van mannen en vrouwen die campings beheren, hoteleigenaren en -tot uw verrassing - overkoepelende organisaties en belangenverenigingen. Een nieuw spoor is gevonden waarover de kar kan rijden: het weer, een achtbaan.
'De menselijke geest raakt in de war door voorspelling van de weersverwachting op lange termijn. Dat maakt de mensen wantrouwig en houdt ze alleen maar binnen. Ze durven niet naar de belendende provincie af te reizen, om uitheemse zandruggen en bossige vennen te bezichtigen. Weermannen en –vrouwen zouden moeten benadrukken dat na de regen weer zonneschijn komt en de mens tussen de buien door er best nog even uit kan, snel een hotelletje, het bed in, er weer uit, de uitsmijter verorberen, afrekenen, weer naar huis, en dat het gras ergens anders groener is, een weide gevuld met antilopen.
Over het weer in het verre zuiden moest maar eens gezwegen worden, daar wonen de potverteerders, lapzwansen, verschrikkelijke mensen. Daar schijnt de verzengende zon en blakert de aarde almaar zwarter. Dat moeten ze zeggen.'
Hier hoort u de regen ruisen. Ergens verderop wordt hinder ondervonden, een hond die achter een andere aanrent en daarbij blaft, de leiband om de enkels wikkelend, een deur die niet goed wil sluiten omdat de vingers van een huilende man ertussen zitten.
U staat aan de kant en houdt u stevig vast aan de mening dat u niet meespeelt, dat u niet vergiftigt bent – om mani pad me hum – dat u een bodhisattva bent, u bent wat door de kamer gaan lopen en overweegt een trui aan trekken.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
maandag 11 mei 2015
Een blik naar buiten
Twee schepen voeren op elkaar en een ervan zonk. De massa verdronk en het beloofde vuurwerk werd toch afgestoken.
Op televisie is een man aan het woord. Hij geeft antwoord op de vraag wat hij ervoer toen hij het hoorde. Hij had zelf zoiets meegemaakt, zonder vuurwerk. De man spreekt de van thuis meegenomen woorden maar wordt door de presentator onderbroken. Later zal er op teruggekomen worden. De man doet wat hem wordt opgedragen, hij wil de orde niet verstoren.
Dan is de beurt aan de minister van buitenlandse zaken, die vertelt over de vluchtelingen die naar de omringende landen trekken en daar hun tenten opslaan. Er moeten geen wapens aan de strijdende partijen verkocht worden.
Aan de gesloten hekken van de diplomatieke vertegenwoordiging drommen mensen bijeen. Zij steken borden omhoog waarop ze woorden in een taal die men goed begrijpt hebben geschreven. Ook in de taal van het land waar hun ongerustheid naar uitgaat. Ze roepen door elkaar, slaan op potten en pannen met het ritme dat herinneringen opschudt aan de mars met duizenden door de straat van de Grote Stad en aan ruiten die in hun sponningen rinkelden door het harde roepen.
Op televisie is een man aan het woord. Hij geeft antwoord op de vraag wat hij ervoer toen hij het hoorde. Hij had zelf zoiets meegemaakt, zonder vuurwerk. De man spreekt de van thuis meegenomen woorden maar wordt door de presentator onderbroken. Later zal er op teruggekomen worden. De man doet wat hem wordt opgedragen, hij wil de orde niet verstoren.
Dan is de beurt aan de minister van buitenlandse zaken, die vertelt over de vluchtelingen die naar de omringende landen trekken en daar hun tenten opslaan. Er moeten geen wapens aan de strijdende partijen verkocht worden.
Aan de gesloten hekken van de diplomatieke vertegenwoordiging drommen mensen bijeen. Zij steken borden omhoog waarop ze woorden in een taal die men goed begrijpt hebben geschreven. Ook in de taal van het land waar hun ongerustheid naar uitgaat. Ze roepen door elkaar, slaan op potten en pannen met het ritme dat herinneringen opschudt aan de mars met duizenden door de straat van de Grote Stad en aan ruiten die in hun sponningen rinkelden door het harde roepen.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen ®
woensdag 6 mei 2015
... de goede en kalme drol I
'Je hebt een drol in het hoofd.'
Hij gaat bij de spiegel staan en doet zijn haar opzij en ziet de drol liggen. 'Het is een goede en kalme drol,' zegt hij, 'maar kan ik dit wel...?'
'Denk er niet te veel aan en eet goed, dat houdt de drol waar die is. Laat je hoed in het vervolg thuis'
Voorzichtig legt hij zijn haar op de afgesproken plek, eronder schuilt de goede en kalme drol.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
Hij gaat bij de spiegel staan en doet zijn haar opzij en ziet de drol liggen. 'Het is een goede en kalme drol,' zegt hij, 'maar kan ik dit wel...?'
'Denk er niet te veel aan en eet goed, dat houdt de drol waar die is. Laat je hoed in het vervolg thuis'
Voorzichtig legt hij zijn haar op de afgesproken plek, eronder schuilt de goede en kalme drol.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
… de goede en kalme drol II
Hij zit met de goede en kalme drol aan een vijver in het park van een verre vreemde stad waar zij naartoe reden.
'Wil je misschien even zwemmen...?'
De goede en kalme drol, die gewend is in het hoofd te wonen is bang voor het water en houdt zich stil.
'Ik doe maar een suggestie,' gaat hij vertwijfeld verder, 'ik heb niet eerder de goede en kalme drol bezeten, de omgang ermee is mij onbekend...'
'Wil je misschien even zwemmen...?'
De goede en kalme drol, die gewend is in het hoofd te wonen is bang voor het water en houdt zich stil.
'Ik doe maar een suggestie,' gaat hij vertwijfeld verder, 'ik heb niet eerder de goede en kalme drol bezeten, de omgang ermee is mij onbekend...'
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
zondag 26 april 2015
Eenden
In het voorjaar zitten er drie in het natte gras van het veldje tussen de huizenblokken. Twee naast elkaar, de derde zit op afstand.
Als ze in beweging komen, omdat grote stukken witbrood uit een keukenraam worden gegooid, houden ze de kop ingetrokken, de snavel ligt op het bovendeel van de borst.
Waggelend komen ze achter de heg vandaan, de woerd van het paar maakt een zacht kwakend geluid. Het vrouwtje, in haar bescheiden kleed lijkt de leiding te hebben. De tweede woerd volgt gelaten. In de optocht is er tussen het paar en de derde ruimte voor een vierde volgroeide vogel.
Vandaag zitten ze langer en onbeweeglijk in het gras. De woerden liggen zo ver uiteen dat ik niet kan zien welke van de twee met het vrouwtje het paar vormt. De keukenramen blijven dicht. Op een meter bij de dieren vandaan schijnt de zon op het gras, zij zitten in de koude schaduw.
De sloot, die uitmondt in een meer met nieuwe rietscheuten, is vijf minuten lopen vanaf het raam waarachter ik sta. De eenden zullen - als ze weg willen - in de lengterichting van de huizenblokken moeten opvliegen, rekening houdend met de wind en de brede kruinen van twee iepen.
Als de vrouwloze woerd te dicht in de buurt van het vrouwtje komt wordt hij met zagend gekwaak door zijn evenknie verdreven, die strekt de kop ver naar voren en spreidt de vleugels. Even lijkt hij op te vliegen.
Ik ken mensen die dieren menselijke eigenschappen toedichten, dat dieren beredeneerd handelingen verrichten en geperverteerde interacties nastreven.
Niet alleen op het grasveldje tussen de huizenblokken zie ik deze combinatie: twee woerden en één vrouwtje. Voor de deur van de patatwinkel zit ook zo'n drietallig stel.
Of zij de nachten in het gras doorbrengen weet ik niet. Als ik de gordijnen openschuif zijn ze grote stukken brood naar binnen aan het schrokken en hebben ze gezelschap van zilvermeeuwen die grote afstanden afleggen: het veldje ligt ver van de kust af. De meeuwen schrokken de krop vol en vliegen op.
Het zichtbare verschil tussen de twee woerden is dat de één met het vrouwtje een paar vormt en zo het getal twee.
Vanachter het raam kan ik niet horen of ze een zacht kwakend geluid maken. Soms doen eenden zoiets zonder dat de snavel opent, een keelklank.
De woerd van het paar waagt zich achter de heg, uit het zicht van de ander, die nu geruisloos op de poten komt en met schuine kop naar het vrouwtje waggelt en bij haar gaat zitten, alsof hij degene van het paar is.
's Middags zit er een woerd op het bordes; ik kan niet zien welke van de twee of van vele anderen dit is.
Eenden paren in het water.
(vrij naar; 'De Koeien' door Lydia Davis, 'De taal van dingen thuis' Atlas Contact 2014)
Als ze in beweging komen, omdat grote stukken witbrood uit een keukenraam worden gegooid, houden ze de kop ingetrokken, de snavel ligt op het bovendeel van de borst.
Waggelend komen ze achter de heg vandaan, de woerd van het paar maakt een zacht kwakend geluid. Het vrouwtje, in haar bescheiden kleed lijkt de leiding te hebben. De tweede woerd volgt gelaten. In de optocht is er tussen het paar en de derde ruimte voor een vierde volgroeide vogel.
Vandaag zitten ze langer en onbeweeglijk in het gras. De woerden liggen zo ver uiteen dat ik niet kan zien welke van de twee met het vrouwtje het paar vormt. De keukenramen blijven dicht. Op een meter bij de dieren vandaan schijnt de zon op het gras, zij zitten in de koude schaduw.
De sloot, die uitmondt in een meer met nieuwe rietscheuten, is vijf minuten lopen vanaf het raam waarachter ik sta. De eenden zullen - als ze weg willen - in de lengterichting van de huizenblokken moeten opvliegen, rekening houdend met de wind en de brede kruinen van twee iepen.
Als de vrouwloze woerd te dicht in de buurt van het vrouwtje komt wordt hij met zagend gekwaak door zijn evenknie verdreven, die strekt de kop ver naar voren en spreidt de vleugels. Even lijkt hij op te vliegen.
Ik ken mensen die dieren menselijke eigenschappen toedichten, dat dieren beredeneerd handelingen verrichten en geperverteerde interacties nastreven.
Niet alleen op het grasveldje tussen de huizenblokken zie ik deze combinatie: twee woerden en één vrouwtje. Voor de deur van de patatwinkel zit ook zo'n drietallig stel.
Of zij de nachten in het gras doorbrengen weet ik niet. Als ik de gordijnen openschuif zijn ze grote stukken brood naar binnen aan het schrokken en hebben ze gezelschap van zilvermeeuwen die grote afstanden afleggen: het veldje ligt ver van de kust af. De meeuwen schrokken de krop vol en vliegen op.
Het zichtbare verschil tussen de twee woerden is dat de één met het vrouwtje een paar vormt en zo het getal twee.
Vanachter het raam kan ik niet horen of ze een zacht kwakend geluid maken. Soms doen eenden zoiets zonder dat de snavel opent, een keelklank.
De woerd van het paar waagt zich achter de heg, uit het zicht van de ander, die nu geruisloos op de poten komt en met schuine kop naar het vrouwtje waggelt en bij haar gaat zitten, alsof hij degene van het paar is.
's Middags zit er een woerd op het bordes; ik kan niet zien welke van de twee of van vele anderen dit is.
Eenden paren in het water.
(vrij naar; 'De Koeien' door Lydia Davis, 'De taal van dingen thuis' Atlas Contact 2014)
zondag 19 april 2015
vingers
Een vrouw gaat in een nieuw huis een muur versieren met een ornament van papier. Dat gaat ze zelf maken. Zoiets kan ze. Ze heeft namelijk de handen van schaduwloze elfen en een stem die vertelt hoe zij het ornament in haar verbeelding ziet.
In de Grote Stad wil ze naar de papierwinkel. Die zat eerst om de hoek waar die nu is. Er kwamen mensen die vonden dat de winkel moest uitdijen tot aan de uiterste grens, daarna kromp de winkel weer ineen.
De lichte vingers van de vrouw raken aan het handgeschepte dikke Nepal (140 gram) en daarna aan het gevlochten, enigszins gekromde papyrus. Haar ogen toetsen de kleuren, de smidse van de verbeelding doet het grondige werk. Ze stelt praktische vragen over lijm en de winkelier geeft de naadloze antwoorden. Zij tasten elkaar af en door hun spankracht groeit het ornament in de juiste richting. Zij sluiten de koop. De winkelier rolt het Nepal en het papyrus in pakpapier zoals hij zijn kinderen aankleedt.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
In de Grote Stad wil ze naar de papierwinkel. Die zat eerst om de hoek waar die nu is. Er kwamen mensen die vonden dat de winkel moest uitdijen tot aan de uiterste grens, daarna kromp de winkel weer ineen.
De lichte vingers van de vrouw raken aan het handgeschepte dikke Nepal (140 gram) en daarna aan het gevlochten, enigszins gekromde papyrus. Haar ogen toetsen de kleuren, de smidse van de verbeelding doet het grondige werk. Ze stelt praktische vragen over lijm en de winkelier geeft de naadloze antwoorden. Zij tasten elkaar af en door hun spankracht groeit het ornament in de juiste richting. Zij sluiten de koop. De winkelier rolt het Nepal en het papyrus in pakpapier zoals hij zijn kinderen aankleedt.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
zondag 5 april 2015
De kier
In een brief zou ik graag willen klagen over het, door de lokale overheid om bezuinigingsredenen, misschien voor altijd, uitgestelde onderhoud aan de openbare tuin. In het rondschrijven aan de buurt is alles wat nu vrij spel krijgt, beschreven, niet de grijze plekken in het gras vanaf het balkon goed te zien. In de klaagbrief zou ik meteen willen vertellen over de sensatie van weerzin die mij vult en waaraan ik niet herken of die afkomstig is van angst of lust bij het invullen van een formulier aan het loket met de wachtende persoon of van het horen van het geluid dat de harde wind in de kier onder de deur maakt; geluid van een blazende poes.
De poes is het enige dier waarmee ik dat geluid kan vergelijken omdat ik geen andere dierengeluiden ken. De dieren die ik ken zijn van foto's. Daarop zijn ze stil. In de beschrijving wordt niets verteld over het blazende geluid dat ze als afschrikkingswapen gebruiken.
Zoals aan veel in mijn huis ben ik gehecht aan de kier. Staand in de kleine hal boven aan de trap bij de gesloten deur voel ik de krachtige luchtstroom rond mijn blote enkels. Daarna perst die zich in de kier.
Toen ik mijn eerste huis huurde, echt op mijn zelf ging wonen, bezat ik naast een tafel, wat stoelen en spullen voor in het piepkleine keukentje, ook een poes. Het dier haalde ik op bij een vrouw die buiten de rand van de stad woonde. Het jonge dier werd geworpen door de moederpoes die, net als de vrouw, het buitenleven gewoon is. De regels daar zijn hun eigen.
Ik dacht dat bij het wonen op een etage een poes hoorde en dat ik me in gezelschap kon verontschuldigen omdat in mijn huis een onvoorspelbaar levend wezen op eten wachtte. Ook vroeg ik of er iemand was die het dier, dat zich voor een vreemde verstopte, in mijn vakanties kon verzorgen, iemand die in de makkelijke stoel ging zitten wachten om het dier uiteindelijk te kunnen aaien. Toen het krols werd, waaraan het geluid in de kier mij ook herinnert, bracht ik het naar de vrouw buiten de stadsrand, daar viel het mooi samen met de natuur.
Het klagen in de brief besluit ik tussen neus en lippen te doen omdat het herinneringen oproept aan de avonden alleen in bed luisterend naar geluiden, de muziek uit de cafe's.
De poes is het enige dier waarmee ik dat geluid kan vergelijken omdat ik geen andere dierengeluiden ken. De dieren die ik ken zijn van foto's. Daarop zijn ze stil. In de beschrijving wordt niets verteld over het blazende geluid dat ze als afschrikkingswapen gebruiken.
Zoals aan veel in mijn huis ben ik gehecht aan de kier. Staand in de kleine hal boven aan de trap bij de gesloten deur voel ik de krachtige luchtstroom rond mijn blote enkels. Daarna perst die zich in de kier.
Toen ik mijn eerste huis huurde, echt op mijn zelf ging wonen, bezat ik naast een tafel, wat stoelen en spullen voor in het piepkleine keukentje, ook een poes. Het dier haalde ik op bij een vrouw die buiten de rand van de stad woonde. Het jonge dier werd geworpen door de moederpoes die, net als de vrouw, het buitenleven gewoon is. De regels daar zijn hun eigen.
Ik dacht dat bij het wonen op een etage een poes hoorde en dat ik me in gezelschap kon verontschuldigen omdat in mijn huis een onvoorspelbaar levend wezen op eten wachtte. Ook vroeg ik of er iemand was die het dier, dat zich voor een vreemde verstopte, in mijn vakanties kon verzorgen, iemand die in de makkelijke stoel ging zitten wachten om het dier uiteindelijk te kunnen aaien. Toen het krols werd, waaraan het geluid in de kier mij ook herinnert, bracht ik het naar de vrouw buiten de stadsrand, daar viel het mooi samen met de natuur.
Het klagen in de brief besluit ik tussen neus en lippen te doen omdat het herinneringen oproept aan de avonden alleen in bed luisterend naar geluiden, de muziek uit de cafe's.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
maandag 16 maart 2015
de grindoever en het glas
'Kijk, de hellingen en de lariksen en of die zwarte massief gearmd bijeen houden is niet bekend, evenmin of deze helling ooit door een waanzinnige beklommen is. Als dat al gebeurd is woont die in een van de verlaten nesten. De slenk hier is doorwaadbaar. Het water legt die kleine afgeronde gele kiezels vanwege de flauwe bocht aan de overkant. Daags na de winter wordt de oversteek zwaar en de grindoever lastiger te volgen.'
'… Row, row, row your boat'
'Het is een knieverwoestende mars naar de hoge natuurstenen brug met links de trap en in de uitgesleten treden de roestige gaten van een verdwenen leuning. Bij een glas worden de varianten door de steenzetters en Lansink uit de doeken gedaan; de leuning is weggerot, niemand gaat namelijk meer stroomopwaarts en steekt na die slopende tocht de slenk over om het laagste deel van de oever te beklimmen tot aan de zagerij, de brug ligt tenslotte hier. Van Veldhoven zaagde de leuning weg, die nacht, en zette hem als mast op het plein. Niks werd gezien, het is bedacht.'
'… Gently down the stream'
'Vanaf de brug maakt de straat een kromming en verdwijnt net als het water en Alicia naar zee, beneden. Met de winterzalm komt zij ook weer hogerop, klopt aan zijn kamer en legt d'r hand op de dij.'
'… Merrily merrily, merrily, merrily'
'Maar eerst, na de kromming, zijn er die ondiepe brede huizen, met deuren waaronder licht kruipt. Ruggelings staan die huizen tegen de basaltzuilen, dan het plein en de vijf witte strepen op het oude asfalt. Aan de overkant ligt de langgerekte dalende borstwering hoog genoeg om de armen op te leggen en smeltwater uit kelders te houden.'
'… Life is but a dream'
'Als je oversteekt word je nageroepen voor een glas en keer je halverwege om alsof je je bedenkt. Het drinken en het kijken naar de andere oever duurt tot het avondeten. Wagens met lange kale stammen maken zo'n hels kabaal dat de roep om het glas erin verdrinkt als in de kolk van het water bij de brug.'
'… Row, row, row your boat'
'Die gele grindoever gaat na oude oversteek verder, hogerop. Twee dagmarsen. Zonder hulp ben je daar. Na een afmattende week; het controleren van formulieren door halve analfabeten ingevuld. Dat allemaal kan je daar vergeten en aan de weg terug denken en aan het glas .'
'…Gently down the stream'
'Daar groeien ook de hellingen, het geluid en de bomen sneller dan je loopt, naar elkaar, daar is het niet van jullie, niet zoals het hier is. Je kan er niet zitten of er de nacht doorbrengen. Omkeren moet je en tenslotte steunend op de handen de trap beklimmen.'
'… Merrily merrily, merrily, merrily'
…
'… Life is but a dream'
'… Row, row, row your boat'
'Het is een knieverwoestende mars naar de hoge natuurstenen brug met links de trap en in de uitgesleten treden de roestige gaten van een verdwenen leuning. Bij een glas worden de varianten door de steenzetters en Lansink uit de doeken gedaan; de leuning is weggerot, niemand gaat namelijk meer stroomopwaarts en steekt na die slopende tocht de slenk over om het laagste deel van de oever te beklimmen tot aan de zagerij, de brug ligt tenslotte hier. Van Veldhoven zaagde de leuning weg, die nacht, en zette hem als mast op het plein. Niks werd gezien, het is bedacht.'
'… Gently down the stream'
'Vanaf de brug maakt de straat een kromming en verdwijnt net als het water en Alicia naar zee, beneden. Met de winterzalm komt zij ook weer hogerop, klopt aan zijn kamer en legt d'r hand op de dij.'
'… Merrily merrily, merrily, merrily'
'Maar eerst, na de kromming, zijn er die ondiepe brede huizen, met deuren waaronder licht kruipt. Ruggelings staan die huizen tegen de basaltzuilen, dan het plein en de vijf witte strepen op het oude asfalt. Aan de overkant ligt de langgerekte dalende borstwering hoog genoeg om de armen op te leggen en smeltwater uit kelders te houden.'
'… Life is but a dream'
'Als je oversteekt word je nageroepen voor een glas en keer je halverwege om alsof je je bedenkt. Het drinken en het kijken naar de andere oever duurt tot het avondeten. Wagens met lange kale stammen maken zo'n hels kabaal dat de roep om het glas erin verdrinkt als in de kolk van het water bij de brug.'
'… Row, row, row your boat'
'Die gele grindoever gaat na oude oversteek verder, hogerop. Twee dagmarsen. Zonder hulp ben je daar. Na een afmattende week; het controleren van formulieren door halve analfabeten ingevuld. Dat allemaal kan je daar vergeten en aan de weg terug denken en aan het glas .'
'…Gently down the stream'
'Daar groeien ook de hellingen, het geluid en de bomen sneller dan je loopt, naar elkaar, daar is het niet van jullie, niet zoals het hier is. Je kan er niet zitten of er de nacht doorbrengen. Omkeren moet je en tenslotte steunend op de handen de trap beklimmen.'
'… Merrily merrily, merrily, merrily'
…
'… Life is but a dream'
maandag 9 maart 2015
In de kamer
Het dier is in de kamer en landt, na een hoekige vlucht, op de warme hand. Daar zit het een korte tijd en stijgt daarna naar het licht van de lamp.
Het gebruikt zuurstof. Het heeft geen longen en geen hart. Het beschikt over een buizenstelsel waarmee het dit chemisch element opneemt.
Zonder een hart wordt er geen helrood, kolkend bloed door de aderen gepompt en raakt het niet vergiftigt door jaloezie. Het zal niet lijden aan het breken ervan en snijden er geen scherven in de ziel.
Het zal niet de brief schrijven die met de flessenpost, drijvend op woelige baren, aanspoelt aan het witte strand en door de zielsverwant met betraande ogen gelezen. Het kan in de brief niet de verontschuldigingen maken dat de kleine vleugels zo' n verre reis toch onmogelijk kunnen dragen, dat een klaarlichte dag, weer en wind alles in de war zullen sturen. Evenmin zal het in de laatste alinea bidden om als verstekeling achter een neergeslagen kraag te schuilen om tenslotte aan het witte strand ineen te storten.
Het kent voortplantingsdrang, om de soort in stand te houden, het is verstoken van plichtsbesef. Het kent een kier waarin het eieren legt waaruit de larven kruipen die verpoppen tot het dier; de kleine vlieg. Het zal weten van de warme hand waarop het keer op keer kan komen zitten. Het gelooft niet dat het de koude nacht lang, hunkerend naar u en het aansteken van de lamp zal uitkijken.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
Het gebruikt zuurstof. Het heeft geen longen en geen hart. Het beschikt over een buizenstelsel waarmee het dit chemisch element opneemt.
Zonder een hart wordt er geen helrood, kolkend bloed door de aderen gepompt en raakt het niet vergiftigt door jaloezie. Het zal niet lijden aan het breken ervan en snijden er geen scherven in de ziel.
Het zal niet de brief schrijven die met de flessenpost, drijvend op woelige baren, aanspoelt aan het witte strand en door de zielsverwant met betraande ogen gelezen. Het kan in de brief niet de verontschuldigingen maken dat de kleine vleugels zo' n verre reis toch onmogelijk kunnen dragen, dat een klaarlichte dag, weer en wind alles in de war zullen sturen. Evenmin zal het in de laatste alinea bidden om als verstekeling achter een neergeslagen kraag te schuilen om tenslotte aan het witte strand ineen te storten.
Het kent voortplantingsdrang, om de soort in stand te houden, het is verstoken van plichtsbesef. Het kent een kier waarin het eieren legt waaruit de larven kruipen die verpoppen tot het dier; de kleine vlieg. Het zal weten van de warme hand waarop het keer op keer kan komen zitten. Het gelooft niet dat het de koude nacht lang, hunkerend naar u en het aansteken van de lamp zal uitkijken.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®
Abonneren op:
Posts (Atom)







