donderdag 31 maart 2016

Objet trouvé


“Ja, het gaat goed, zo nu en dan zit het tegen, dan is het verderop verschrikkelijk onvriendelijk, dat hoort erbij. Door de zachte winter zijn er massa's muizen. Zij hebben het overleefd. Over van alles dat is gepoot zijn doeken gespannen tegen de zwarte kraaien en de eksters, die verzinnelijken het oerbeginsel van de yin-yang en het geluk tegenover het ongeluk, de kraaien dus. Maar die muizen, die kropen gewoon onder het doek door en vraten de boel kaal. Dat schoot niet op. Er wordt sinds een paar jaar ook geteeld in de kassen op water waar van alles aan toegevoegd is, maar dan heb je nooit het complete plaatje, het echte, dat van de natuur en de kouwe grond. We vangen hier ook mensen op die iets vervelends hebben meegemaakt of niet in orde zijn door een ongeluk, vanwege een vechtpartij of het verlies van een zwaar bruin vest. Maar het moet wel in balans zijn, dat weer wel.
In de lente kan het hekwerk geïnterviewd worden over wat het er van denkt, van dit decor, de herderstasjes en het karpatenklokje. Ja, ergens moet het ophouden, toch...”

dinsdag 1 maart 2016

Rizoom


Van Veldhoven pleit in de huidige omstandigheden voor ongehoorzame, doldriftige bomen, woekeraars met wortels tot ver in keukenkasten die het asfalt openscheuren. Bomen die 's nachts gillend over straat gaan, de weg versperren doordat ze onverwachts maar moedwillig omvallen, met laaghangende takken het treinverkeer hinderen. Bomen die zo dicht bijeen gaan staan dat ze een eendrachtig bos vormen voor dieren die bang maken en ongeacht wat er tegen gezegd niet luisteren. Ze zijn brutaal en bijten als de huizen worden verlaten om op adem te komen, nadat we met onze bijlen binnen hebben staan hakken.

dinsdag 5 januari 2016

De natuur



Er stond een man op het pad tussen de grasvelden, hij keek nadrukkelijk in de richting van het zuid-westen, zijn zeer kleine hond was bij hem in de buurt, houtduiven streken neer in het gras.
Nu staat hij dichtbij een vrouw met een zwarte hond, hij houdt zijn handen in zijn zakken en stapt telkens in haar haar gezichtsveld als zij draaiend om haar as de rennende honden volgt. Zij heeft oranje schoenen aangetrokken. Dat ziet u steeds vaker: vrouwen met oranje schoenen.
De vrouw heeft een slechte of uitnodigende houding, ze staat met haar onderlichaam naar voren gericht. Als er een tweede vrouw bij komt staan doet de man een stap naar achteren. Of dat gebruikelijk is op het grasveld bij de waterkant valt vanaf uw plek niet te beoordelen. U hebt geen hond die u moet uitlaten. Als u weer van het werk opkijkt zijn de man en zijn hond verdwenen, hopelijk niet onder het spiegelgladde wateroppervlak. De twee vrouwen kijken pratend naar hun spelende honden waar ze menselijke eigenschappen in leggen, daar zijn ze mensen voor en de honden zichzelf. De tweede vrouw heeft een donkere jas aan, dat maakt het makkelijk ze van elkaar te onderscheiden vooral omdat de eerste vrouw een lichte heeft aangetrokken met de bedoeling zich goed en zichtbaar van de ander te onderscheiden. De vrouw met de donkere jas draagt wel een rode muts en brengt haar hand naar haar gezicht. Het is te hopen dat zij zo eigen is met de ander dat het neuspeuteren geen probleem oplevert en moordende irritatie oproept bij de vrouw in de lichte jas die misschien herinneringen heeft aan haar broer en de harde stukjes onder de tafelrand (dit is een cliché...).
De vrouwen hebben hun honden aangelijnd en lopen nu in de richting die de man ging.
Toen de boekjes met naakte mannen en vrouwen nog gezien werden als onderdeel van de seksuele revolutie en een toevoeging bij de lijfelijk liefde, was daarin te lezen dat er vrouwen en mannen zijn die hun geslacht insmeerden met smeerworst en dat door hun hond lieten aflikken. Daar wordt nu misschien anders over gedacht, denkt u.

vrijdag 25 december 2015

Wit dingetje



Het is de eerste koele ochtend sinds maanden. Onder de douche vandaan, terug in de keuken om het gas onder de percolator uit te zetten, ziet u dat de fixie van uw zoon er niet is. Het is geen grote keuken, het appartement is sowieso niet groot. Behalve nu, nu de deuren van de kamers van de kinderen gesloten blijven.

U brengt de dagen binnenshuis door en probeert te werken. U zit aan de Kleine Tafel bij het raam met de handen in de schoot. Het ontbreekt u aan discipline om bij het licht van de kleine lamp Lof der schaduw te lezen terwijl u, zo nu en dan opkijkend, nacht en schemer ziet verdwijnen.

Beneden, ver weg in de tuin, wandelt een vrouw met een hond; dan twee kinderen met schooltassen en een oude man die een zakdoek uit zijn zak trekt waarbij een wit dingetje meekomt. Hij merkt het niet. U onderdrukt de impuls het zware bruine vest en de veterloze schoenen aan te schieten om het witte dingetje te bekijken.

Van alles bent u zich bewust: de bewegingloze woonkamer, de stem van een montere vrouw op de radio die vertelt dat de winnaar van de muziekvraag een jonge vrouw is die Noorse letterkunde en klarinet studeert. De presentatrice doet geen moeite om haar bewondering voor deze dubbelstudie te verbergen. De suite voor klarinet en piano, op.10 in Es gr.t. Elegie, Busoni, wordt onderbroken door nieuws en weerbericht.

Meteorologen kunnen geen langetermijnvoorspellingen doen, vindt u. De moeite die de mens doet de natuur te dresseren is nutteloos.

De koffie die u in uw favoriete kom schonk is nu koud, toch drinkt u die op omdat u denkt dat de cafeïne helpt helder te blijven.

Het witte dingetje is verschoven zonder dat u hebt gezien hoe. Iemand moet er tegenaan geschopt hebben, per ongeluk, of expres uit nieuwsgierigheid om te zien of het dan van schrik onder de struiken zou wegschieten of als een naaktslak ineen zou krullen. De oude man die terugloopt herkent het niet als iets dat uit zijn zak is gevallen.

maandag 30 november 2015

De snackcorner


In het warenhuis bent u in de snackcorner aan een tafeltje gaan zitten buiten het zicht van winkelende bekenden, afgeschermd door een muur.
Een vrouw, gevolgd door een man, komt binnensloffen en speurt nadrukkelijk in verschillende richtingen naar de vrije plekken en de etende mensen die er zo bij zitten dat ze voorlopig niet weg lijken te gaan. Ze zijn de Kleine Stad.
Nadat de vrouw en de man met hun rollators een tafeltje hebben bezet lopen zij, nu zonder te sloffen, naar de counter. Hij wijst naar de croissants, die wil hij en koffie, in zo'n hoog glas. Van de stapel links van het grijze luik pakt zij een dienblad en neemt met de plastic tang twee croissants. Hij loopt terug naar de tafel.
Voordat ze in hun broodjes bijten roert hij met nadruk om beurten in haar en zijn glas cappuccino, rangschikt de papieren servetten, schuift het meegebrachte bestek weg en slaat vluchtig een kruis. Zij volgt.
Tijdens het kauwen geeft hij haar aanwijzingen hoe zij haar tas en het zware bruine vest op de stoel naast zich moet zetten. Zij staat op. Zij heeft wat losse munten uitgeteld die zij aan de beheerster van de toiletten geeft, en knikt van daaruit in zijn richting, de beheerster knikt ook.
Als u weg wilt gaan moet u de drang onderdrukken het bordje waarop uw saussijzenbroodje lag op tafel te laten staan. Bang hierop gewezen te worden brengt u het toch naar de trolley rechts van het grijze luik.

vrijdag 20 november 2015

Vest



Vest bezit hebbelijkheden waarmee het zich kwalitatief van andere vesten onderscheidt; het is vegetarisch, het rugpand, de mouwen en de enigszins opstaande kraag zijn gebreid uit chunky wol met pendikte 8. De borststukken zijn van imitatie-suède dat makkelijk kan scheuren. Net boven de heupen zijn, als twee luikende ogen, ingenaaide zakjes. Daar is het imitatie-suède door de duim en vinger verkleurd, zoekend naar de Ronson benzineaansteker en kleingeld.

Vest lijkt op een collega en heeft ook iets weg van de colberts in de gangkast. Die deur wordt slechts een enkele keer geopend om met de gestrekte arm een uit zwang geraakte kledingstuk weg te hangen.

Een woekerend voorgevoel zegt dat de verborgen jasjes met elkaar een verhouding zijn aangegaan. Het zicht op één arm en het lichtloze daarachter leidde tot dat winderige gezang.

Vandaag ligt Vest op tafel en wordt met gestrekte arm en uitgestoken wijsvinger aangewezen en afwachtend aangekeken. Vest is een goeie doodzwijger.

zondag 4 oktober 2015

Spaar voor gratis messen


Tenslotte is ze thuis en heeft de was, die haar dochter vanmorgen vroeg heeft gedraaid, in de bijkamer op het rek gehangen. Ze overweegt de kleine aardappelen alvast te koken en vanavond op te bakken. Onbespied staat ze voor het keukenraam en kijkt meditatief naar de tuin, naar de hoog opgeschoten stengels van de aardperen, de tegenstelling die de grote frisgroene bladeren vormen met het vergrijzende rood-roze van de hortensia. In de plataan is een enkel blad al vergeeld.

De trein van 08.49 reed een onbetekenend betonnen station binnen waar een groep jonge mensen instapte, druk pratend en wijzend op hun smartphones.
Dat zijn studenten, dacht ze, en het volgende station is dat van de eeuwenoude universiteitsstad. Daar zullen ze uiteenwaaierend naar de collegebanken gaan. Een bijzondere stad met boulevards en achterafstraatjes waar zij heimelijke pleziertjes beleven en niet naar de uitgestrekte velden omzien die zij zullen moeten ontginnen; dat zal wel spelenderwijs gaan.

Dat ze in de stiltecoupé was gaan zitten viel haar pas op toen ze uit het raam keek en haar ergernis voelde groeien door de pratende vrouwen. Natuurlijk, dit is onze onbedwingbare behoefte, dacht ze. Zo probeerde ze de oplaaiende ergernis te dempen en verweet zichzelf niet in de stemming te kunnen komen de vrouwen terecht te wijzen. Ze voelde haar maag krimpen, het was de angstige misselijkheid die naar de bleke verlammende woede schoof.

Toen de trein wegreed las ze op een reclamezuil: spaar voor gratis messen.

donderdag 17 september 2015

Stadsman




Het is zo'n zomerse dag. Het kwik stijgt naar diep zuidelijke waarden. Nieuwslezers roepen een weervrouw enthousiast toe of er al een of ander record is gebroken.

'Bijna!', schreeuwt zij, 'het scheelt een achttiende graad.'

'Hoe gaat het nu verder? Is een invasie van exoten te verwachten?'
'Nee! De hemel zal vanuit het westen dichttrekken, de wind zal toenemen en avontuurlijk weerlicht en donder komen aanrollen.' en zij wijst op de foto die eerste luitenant Lansink vanuit zijn uitkijkpost naar de studio overseinde.

Van Veldhoven veert op als het bevrijdende geraas klinkt, geen B25 Mitchel met brooddroppings. Niets doet hem meer plezier dan regen op snikheet asfalt. Onbeschroomd staat-ie op het balkon, snuift de industriële stadslucht op, zijn torso gloeit er van.

donderdag 20 augustus 2015

Een Noorse bakkerswinkel




Er is geen aanwijzing, niet in het boek dat vader leest of in de stem die hem doorgaans het een en ander influistert maar is zijn conclusie; 'ik richt een Noorse bakkerswinkel op...!'

Aan de basaltstenen achterwand hangt hij een smalle plank waarop gevlochten broden moeten gezet. De ruimte tussen de toonbank en de muur is klein, kleiner dat dan hij er begrip voor heeft, een man én een vrouw van normaal postuur kunnen er niet keren.
De platte broden zet hij als moderne romans voor het winkelraam en een vrouw met fijnbesneden gezicht en oplichtende ogen gaat er naar vragen. Eerst wrijft ze aan haar schort de handen droog.

Vader kent deze soort, zij vangen meeuwen, bijten ruwweg de kop van de kabeljauwen en met beekheldere stemmen stellen zij vragen over het brood.

donderdag 6 augustus 2015

De kuip



De accuboormachine van een betrouwbaar merk, door de gore knuist omklemt, nadat met de machine, waarin een tienmillimeter houtboor steekt, een gat geboord is in een bruine plastic kuip die uw vrouw bij het goeiedoelenwinkeltje kocht, rust op de dij van het rechterbeen dat over het linker is geslagen.

Zij stort zware zwarte grond in kuip en zet er jonge sla in.

Naast die kuip zit u, als de gehuurde jager, op de klapstoel – aan de stoeprand gevonden – en wacht tot de kat een klein gat in de schutting zal gebruiken de tuin in de sluipen om in de verse aarde haar vlag te planten. Met soepele pols weegt u de machine.

zaterdag 25 juli 2015

Wemelen



Overal in huis hangen zeer kleine spinnen. Als die niet worden gedood zal het over een maand wemelen van de woest tandenknarsende dieren. Kastdeuren moeten met zorg worden geopend om de gesponnen draad niet te breken.

Maanden is hier op gewacht...

En er bestaat een dier dat onder de huid van anderen eieren legt. De bult, zo groot als een steenpuist, is dan het nest. Als de gezwollen puist op het hoofd opengaat zoeken de jonge dieren tussen de haren een uitweg.

In de tuin slaat de merel aan. Die waarschuwt de jongen voor de poes.

Op spinnen, fruitvliegen en muizen na, worden in huis geen dieren verzorgd en opgejaagd.

Wemelen is een fijn woord als weerwil, Wim en waarachtig.

zondag 19 juli 2015

Oeverloze fantasieën


De kast staat net niet tegen de verwarming aan, er is een kier gelaten. Eerst werd er aan een gleuf gedacht, dat het wel zoiets zou zijn, daar leek de ruimte te krap voor. In de nauwe ruimte worden de plastic tassen bewaard.

De linkerelleboog rust op tafel en de wijsvinger drukt tegen de lippen, de archetypische houding achter het beeldscherm; ... is het 'bewaren' wat er in de kier gebeurt?

Het zijn de tassen uit de Franse supermarkt, vaal versleten maar nog bruikbaar. Het is opbergen, net als de borden van het servies. Het verschil is dat de tassen in de kier gepropt worden en de borden in de kast niet. Het proppen gebeurt zonder die broeierige gedachte die in een overvolle trein ontstaat.

Toen de tassen tussen de kast en de verwarming werden weggetrokken, is er een herinnering aan de broers: één van hen is op pad de ander gaat met de koffie aan tafel zitten en hoort de klok. Van hun laaggedakt huis, halverwege de helling, staan de ramen open. Gisteren was er daar beneden reuring. Het water dat er naartoe stroomt was tot aan de rand gestegen. Wrakhout, dachten beide mannen weer eens, dat zou daar van pas komen, net als een vlot. Maar hier in de buurt kan er geen schip vergaan en het magnetisch veld, is hier niet.

Zij verkiezen de helling boven het dal en oeverloze fantasieën inplaats de handen uit de mouwen te steken.

Het is fijn aan de broers te denken alsof het familie is.

zondag 12 juli 2015

Kraag






Collega B draagt graag geruite hemden en daarover een vest met opstaande kraag, van wol, niet te dik of te dun, tot halverwege dichtgeritst.
Om tien uur schuift hij zijn toetsenbord van zich af, opent een plastikzakje en bij het nemen van een enorme hap waarbij de helft van een dubbele boterham tussen zijn kaken verdwijnt, knikt hij u vriendelijk toe. Tijdens het malen wordt het zakje weer dichtgeknoopt en verdwijnt in de tas.
Iets verder weg op zijn bureau staat een glas water waaruit hij kleine slokjes neemt. Niks gulzig naar binnen klokken en uit de mondhoeken laten sijpelen van genadeloos stervende dorst. Om half één komt er een andere collega binnen, zijn vriend, die hem gebaart mee naar buiten te gaan. Als het drie uur is gaat de tas weer open en verschijnt de appel.
U houdt van kleine appels, de Elstar. Als dat seizoen voorbij is wilt u weleens de Jonagold eten.
B zet zijn tanden in de appel en gebruikt ze als een wig waarmee de appel wordt klemgezet, met de rechterhand duwt hij de appel omhoog en krakend laat er een deel los dat dan onverbiddelijk malend zal verdwijnen.
In het geluid van het losscheurende deel ervaart u de beproevingen van het verloren paradijs, haar ondergang, smeltende poolkappen, provinciegrote ijsschotsen die hun weg naar de evenaar zoeken.
Uit eerbied en onvermogen ten opzichte van zijn ijzeren orde dicht u de collega de scheppende kracht toe. En u, de dwalende, de dolende, die Lilith aan uw zijde verkiest boven Eva, kijkt ademloos toe.
Eén keer droeg B een wit overhemd. Het was van moderne snit met een kraag waarvan de punten niet naar de borst wezen maar op het sleutelbeen rustten. Doordat de knoopjes van het hemd in een ander ritme waren vastgezet dan bij de geruite overhemden was een deel van de plek waar de sleutelbeenderen zich gelukzalig aan het borstbeen vastgrepen, zichtbaar.
Na het compliment dat u hem gaf heeft B dat hemd niet meer gedragen.




dinsdag 7 juli 2015

Wendingen




In pyjama gaat u aan tafel zitten en regen valt loodrecht uit de hemel. Goudsbloemen en anemonen blijven gesloten.

Het Grote Licht doet u niet aan. Omdat er ruimschoots vaalgrijs hangt haalt u uit de andere kamer de Kleine Lamp en denkt aan de tijd dat de mensen met dit weer dicht bij het raam zijn gaan staan om de brief te lezen.

Gisteren, op weg naar huis las u Naar de andere oever van Ilse Aichinger. Op een tussenstation stapten twee jonge mensen in die naar uw oordeel te dik waren. Zij droegen papieren zakken waarin to go eten zat. Zij zagen elkaar in de ogen, hielden de handen vast en spraken met zachte stem. U droomde de moed te bezitten vragen te stellen. Zij vertellen dat het een keuze is zo te zijn. Geen overwogen keus zoals u die maakt om in pyjama aan tafel te gaan zitten. 'Dit zijn de wendingen, de weg immers, is geenszins bestendig', zal de vrouw u terechtwijzen, de man zal haar instemmend knikkend bijvallen en u zult beschaamd het boek weer opnemen.

Aan hun taal te horen kwamen zij van ver.


dinsdag 30 juni 2015

Licht

...u weet niet hoe het is gekomen, laten wij het daarop houden, al die scherven zo op de schotel. Gesteund door uw handen richt u het hoofd op.
Dat het een kopje was, is niet lang geleden. Maar op de minuut af weet u het niet. Ook weet u niet hoe het brak en de oorzaak van de val. Viel het? En ook niet hoe de scherven op de schotel kwamen en het geheel op tafel terecht kwam waaraan u nu zit te peinzen. Het licht is aan. U hebt nog gevraagd of u het was die het aanstak.

Uw ogen laat u half gesloten om niet te zien, niet om het licht door de oogharen te laten temperen en de vlijmscherpe randen te verzachten en het kopje opnieuw tot leven te brengen; de ogen sluiten half en u weet niet hoe dat komt...

dinsdag 16 juni 2015

Ontleedkunst



Op gezette tijden, waar hij geen weet van heeft als zijn lijf op de bank ligt, waarschuwt de vrouw. Zij heeft een regelmatig humeur, een fijn besneden gezicht, laat etudes klinken en schikt de groenten. Met die vanzelfsprekende handen trekt zij stukjes huid van de man af - en passant, verklaart ze - en legt die, tijdens het gelukkige huwelijk, met wat botten alvast bij elkaar.


maandag 8 juni 2015

Toverros




Langs het voet na voet ontstane pad wordt gelopen naar de verre winkel. Met een band vanaf de schouder schuin langs borst en rug hangt de tas op de heup. Het boek over de oorsprong en verdere ontwikkeling van reptielen is er ingedaan. Het wordt teruggebracht vanwaar het is gekomen.

Gisteravond namelijk, zag men een verslag waarin werd verteld dat de steur als volwassen dier driehonderd kilo kan wegen bij een lengte van drie en halve meter.

Door de eens heersende en knagende honger tussen de Grote Rivieren verdween de steur.

Men zag de foto van hologige woeste visser die op de rug van zo'n dier zaten als op het Toverros. Zij hadden het, onveranderd sinds de prehistorie, met man en macht uit het water gesleurd.

Jonge vissen zijn daarom uitgezet in de waterweg, een open verbinding tussen zoet en zout.

Dat was voldoende.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®



maandag 1 juni 2015

Terloops

De ochtend begint zoals altijd met het huishoudelijk gedoe. Er klinkt een dissonant die haar hoofd opricht: vingers die in de Mazurka te langzaam naar het volgende akkoord gaan, een werkwoord dat op een andere plaats wordt gezet. Dat verbaast, net als het zien van versleten handen die het goed uit de machine trekken en het fijne linnen op het rek hangen.

Ze sliep licht, vervelende kussens hoopten onder het dek.
Buiten riep een dier een ander dier.

Ze wil de ochtend zelf zien wel weer in zijn driedelig grijs met een mooie das; van hem weglopen nadat de schilfers van de schouders zijn geveegd in de terloopsheid van alle handelingen.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

dinsdag 26 mei 2015

Bodhisattva

De ruisende regen maakt u wakker, toch sliep u niet, u zit aan tafel met de ellebogen aan de weerszijden van het boek, beide handen tegen het hoofd.
Op de bank ligt de krant, slordig gevouwen. Die is daar door de berichtgeving geïrriteerd achtergelaten. Het is een krant vol klachten van mannen en vrouwen die campings beheren, hoteleigenaren en -tot uw verrassing - overkoepelende organisaties en belangenverenigingen. Een nieuw spoor is gevonden waarover de kar kan rijden: het weer, een achtbaan.

'De menselijke geest raakt in de war door voorspelling van de weersverwachting op lange termijn. Dat maakt de mensen wantrouwig en houdt ze alleen maar binnen. Ze durven niet naar de belendende provincie af te reizen, om uitheemse zandruggen en bossige vennen te bezichtigen. Weermannen en –vrouwen zouden moeten benadrukken dat na de regen weer zonneschijn komt en de mens tussen de buien door er best nog even uit kan, snel een hotelletje, het bed in, er weer uit, de uitsmijter verorberen, afrekenen, weer naar huis, en dat het gras ergens anders groener is, een weide gevuld met antilopen.
Over het weer in het verre zuiden moest maar eens gezwegen worden, daar wonen de potverteerders, lapzwansen, verschrikkelijke mensen. Daar schijnt de verzengende zon en blakert de aarde almaar zwarter. Dat moeten ze zeggen.'

Hier hoort u de regen ruisen. Ergens verderop wordt hinder ondervonden, een hond die achter een andere aanrent en daarbij blaft, de leiband om de enkels wikkelend, een deur die niet goed wil sluiten omdat de vingers van een huilende man ertussen zitten.

U staat aan de kant en houdt u stevig vast aan de mening dat u niet meespeelt, dat u niet vergiftigt bent – om mani pad me hum – dat u een bodhisattva bent, u bent wat door de kamer gaan lopen en overweegt een trui aan trekken.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

maandag 11 mei 2015

Een blik naar buiten

Twee schepen voeren op elkaar en een ervan zonk. De massa verdronk en het beloofde vuurwerk werd toch afgestoken.

Op televisie is een man aan het woord. Hij geeft antwoord op de vraag wat hij ervoer toen hij het hoorde. Hij had zelf zoiets meegemaakt, zonder vuurwerk. De man spreekt de van thuis meegenomen woorden maar wordt door de presentator onderbroken. Later zal er op teruggekomen worden. De man doet wat hem wordt opgedragen, hij wil de orde niet verstoren.

Dan is de beurt aan de minister van buitenlandse zaken, die vertelt over de vluchtelingen die naar de omringende landen trekken en daar hun tenten opslaan. Er moeten geen wapens aan de strijdende partijen verkocht worden.

Aan de gesloten hekken van de diplomatieke vertegenwoordiging drommen mensen bijeen. Zij steken borden omhoog waarop ze woorden in een taal die men goed begrijpt hebben geschreven. Ook in de taal van het land waar hun ongerustheid naar uitgaat. Ze roepen door elkaar, slaan op potten en pannen met het ritme dat herinneringen opschudt aan de mars met duizenden door de straat van de Grote Stad en aan ruiten die in hun sponningen rinkelden door het harde roepen.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen ®

woensdag 6 mei 2015

... de goede en kalme drol I

'Je hebt een drol in het hoofd.'

Hij gaat bij de spiegel staan en doet zijn haar opzij en ziet de drol liggen. 'Het is een goede en kalme drol,' zegt hij, 'maar kan ik dit wel...?'

'Denk er niet te veel aan en eet goed, dat houdt de drol waar die is. Laat je hoed in het vervolg thuis'

Voorzichtig legt hij zijn haar op de afgesproken plek, eronder schuilt de goede en kalme drol.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®



… de goede en kalme drol II

Hij zit met de goede en kalme drol aan een vijver in het park van een verre vreemde stad waar zij naartoe reden.

'Wil je misschien even zwemmen...?'

De goede en kalme drol, die gewend is in het hoofd te wonen is bang voor het water en houdt zich stil.

'Ik doe maar een suggestie,' gaat hij vertwijfeld verder, 'ik heb niet eerder de goede en kalme drol bezeten, de omgang ermee is mij onbekend...'


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®



zondag 26 april 2015

Eenden

In het voorjaar zitten er drie in het natte gras van het veldje tussen de huizenblokken. Twee naast elkaar, de derde zit op afstand.

Als ze in beweging komen, omdat grote stukken witbrood uit een keukenraam worden gegooid, houden ze de kop ingetrokken, de snavel ligt op het bovendeel van de borst.

Waggelend komen ze achter de heg vandaan, de woerd van het paar maakt een zacht kwakend geluid. Het vrouwtje, in haar bescheiden kleed lijkt de leiding te hebben. De tweede woerd volgt gelaten. In de optocht is er tussen het paar en de derde ruimte voor een vierde volgroeide vogel.

Vandaag zitten ze langer en onbeweeglijk in het gras. De woerden liggen zo ver uiteen dat ik niet kan zien welke van de twee met het vrouwtje het paar vormt. De keukenramen blijven dicht. Op een meter bij de dieren vandaan schijnt de zon op het gras, zij zitten in de koude schaduw.

De sloot, die uitmondt in een meer met nieuwe rietscheuten, is vijf minuten lopen vanaf het raam waarachter ik sta. De eenden zullen - als ze weg willen - in de lengterichting van de huizenblokken moeten opvliegen, rekening houdend met de wind en de brede kruinen van twee iepen.

Als de vrouwloze woerd te dicht in de buurt van het vrouwtje komt wordt hij met zagend gekwaak door zijn evenknie verdreven, die strekt de kop ver naar voren en spreidt de vleugels. Even lijkt hij op te vliegen.

Ik ken mensen die dieren menselijke eigenschappen toedichten, dat dieren beredeneerd handelingen verrichten en geperverteerde interacties nastreven.

Niet alleen op het grasveldje tussen de huizenblokken zie ik deze combinatie: twee woerden en één vrouwtje. Voor de deur van de patatwinkel zit ook zo'n drietallig stel.

Of zij de nachten in het gras doorbrengen weet ik niet. Als ik de gordijnen openschuif zijn ze grote stukken brood naar binnen aan het schrokken en hebben ze gezelschap van zilvermeeuwen die grote afstanden afleggen: het veldje ligt ver van de kust af. De meeuwen schrokken de krop vol en vliegen op.

Het zichtbare verschil tussen de twee woerden is dat de één met het vrouwtje een paar vormt en zo het getal twee.

Vanachter het raam kan ik niet horen of ze een zacht kwakend geluid maken. Soms doen eenden zoiets zonder dat de snavel opent, een keelklank.

De woerd van het paar waagt zich achter de heg, uit het zicht van de ander, die nu geruisloos op de poten komt en met schuine kop naar het vrouwtje waggelt en bij haar gaat zitten, alsof hij degene van het paar is.

's Middags zit er een woerd op het bordes; ik kan niet zien welke van de twee of van vele anderen dit is.

Eenden paren in het water.

(vrij naar; 'De Koeien' door Lydia Davis, 'De taal van dingen thuis' Atlas Contact 2014)

zondag 19 april 2015

vingers

Een vrouw gaat in een nieuw huis een muur versieren met een ornament van papier. Dat gaat ze zelf maken. Zoiets kan ze. Ze heeft namelijk de handen van schaduwloze elfen en een stem die vertelt hoe zij het ornament in haar verbeelding ziet.

In de Grote Stad wil ze naar de papierwinkel. Die zat eerst om de hoek waar die nu is. Er kwamen mensen die vonden dat de winkel moest uitdijen tot aan de uiterste grens, daarna kromp de winkel weer ineen.

De lichte vingers van de vrouw raken aan het handgeschepte dikke Nepal (140 gram) en daarna aan het gevlochten, enigszins gekromde papyrus. Haar ogen toetsen de kleuren, de smidse van de verbeelding doet het grondige werk. Ze stelt praktische vragen over lijm en de winkelier geeft de naadloze antwoorden. Zij tasten elkaar af en door hun spankracht groeit het ornament in de juiste richting. Zij sluiten de koop. De winkelier rolt het Nepal en het papyrus in pakpapier zoals hij zijn kinderen aankleedt.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 5 april 2015

De kier

In een brief zou ik graag willen klagen over het, door de lokale overheid om bezuinigingsredenen, misschien voor altijd, uitgestelde onderhoud aan de openbare tuin. In het rondschrijven aan de buurt is alles wat nu vrij spel krijgt, beschreven, niet de grijze plekken in het gras vanaf het balkon goed te zien. In de klaagbrief zou ik meteen willen vertellen over de sensatie van weerzin die mij vult en waaraan ik niet herken of die afkomstig is van angst of lust bij het invullen van een formulier aan het loket met de wachtende persoon of van het horen van het geluid dat de harde wind in de kier onder de deur maakt; geluid van een blazende poes.

De poes is het enige dier waarmee ik dat geluid kan vergelijken omdat ik geen andere dierengeluiden ken. De dieren die ik ken zijn van foto's. Daarop zijn ze stil. In de beschrijving wordt niets verteld over het blazende geluid dat ze als afschrikkingswapen gebruiken.

Zoals aan veel in mijn huis ben ik gehecht aan de kier. Staand in de kleine hal boven aan de trap bij de gesloten deur voel ik de krachtige luchtstroom rond mijn blote enkels. Daarna perst die zich in de kier.

Toen ik mijn eerste huis huurde, echt op mijn zelf ging wonen, bezat ik naast een tafel, wat stoelen en spullen voor in het piepkleine keukentje, ook een poes. Het dier haalde ik op bij een vrouw die buiten de rand van de stad woonde. Het jonge dier werd geworpen door de moederpoes die, net als de vrouw, het buitenleven gewoon is. De regels daar zijn hun eigen.

Ik dacht dat bij het wonen op een etage een poes hoorde en dat ik me in gezelschap kon verontschuldigen omdat in mijn huis een onvoorspelbaar levend wezen op eten wachtte. Ook vroeg ik of er iemand was die het dier, dat zich voor een vreemde verstopte, in mijn vakanties kon verzorgen, iemand die in de makkelijke stoel ging zitten wachten om het dier uiteindelijk te kunnen aaien. Toen het krols werd, waaraan het geluid in de kier mij ook herinnert, bracht ik het naar de vrouw buiten de stadsrand, daar viel het mooi samen met de natuur.

Het klagen in de brief besluit ik tussen neus en lippen te doen omdat het herinneringen oproept aan de avonden alleen in bed luisterend naar geluiden, de muziek uit de cafe's.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

maandag 16 maart 2015

de grindoever en het glas

'Kijk, de hellingen en de lariksen en of die zwarte massief gearmd bijeen houden is niet bekend, evenmin of deze helling ooit door een waanzinnige beklommen is. Als dat al gebeurd is woont die in een van de verlaten nesten. De slenk hier is doorwaadbaar. Het water legt die kleine afgeronde gele kiezels vanwege de flauwe bocht aan de overkant. Daags na de winter wordt de oversteek zwaar en de grindoever lastiger te volgen.'

'… Row, row, row your boat'

'Het is een knieverwoestende mars naar de hoge natuurstenen brug met links de trap en in de uitgesleten treden de roestige gaten van een verdwenen leuning. Bij een glas worden de varianten door de steenzetters en Lansink uit de doeken gedaan; de leuning is weggerot, niemand gaat namelijk meer stroomopwaarts en steekt na die slopende tocht de slenk over om het laagste deel van de oever te beklimmen tot aan de zagerij, de brug ligt tenslotte hier. Van Veldhoven zaagde de leuning weg, die nacht, en zette hem als mast op het plein. Niks werd gezien, het is bedacht.'

'… Gently down the stream'

'Vanaf de brug maakt de straat een kromming en verdwijnt net als het water en Alicia naar zee, beneden. Met de winterzalm komt zij ook weer hogerop, klopt aan zijn kamer en legt d'r hand op de dij.'

'… Merrily merrily, merrily, merrily'

'Maar eerst, na de kromming, zijn er die ondiepe brede huizen, met deuren waaronder licht kruipt. Ruggelings staan die huizen tegen de basaltzuilen, dan het plein en de vijf witte strepen op het oude asfalt. Aan de overkant ligt de langgerekte dalende borstwering hoog genoeg om de armen op te leggen en smeltwater uit kelders te houden.'

'… Life is but a dream'

'Als je oversteekt word je nageroepen voor een glas en keer je halverwege om alsof je je bedenkt. Het drinken en het kijken naar de andere oever duurt tot het avondeten. Wagens met lange kale stammen maken zo'n hels kabaal dat de roep om het glas erin verdrinkt als in de kolk van het water bij de brug.'

'… Row, row, row your boat'

'Die gele grindoever gaat na oude oversteek verder, hogerop. Twee dagmarsen. Zonder hulp ben je daar. Na een afmattende week; het controleren van formulieren door halve analfabeten ingevuld. Dat allemaal kan je daar vergeten en aan de weg terug denken en aan het glas .'

'…Gently down the stream'

'Daar groeien ook de hellingen, het geluid en de bomen sneller dan je loopt, naar elkaar, daar is het niet van jullie, niet zoals het hier is. Je kan er niet zitten of er de nacht doorbrengen. Omkeren moet je en tenslotte steunend op de handen de trap beklimmen.'

'… Merrily merrily, merrily, merrily'



'… Life is but a dream'

maandag 9 maart 2015

In de kamer

Het dier is in de kamer en landt, na een hoekige vlucht, op de warme hand. Daar zit het een korte tijd en stijgt daarna naar het licht van de lamp.
Het gebruikt zuurstof. Het heeft geen longen en geen hart. Het beschikt over een buizenstelsel waarmee het dit chemisch element opneemt.
Zonder een hart wordt er geen helrood, kolkend bloed door de aderen gepompt en raakt het niet vergiftigt door jaloezie. Het zal niet lijden aan het breken ervan en snijden er geen scherven in de ziel.
Het zal niet de brief schrijven die met de flessenpost, drijvend op woelige baren, aanspoelt aan het witte strand en door de zielsverwant met betraande ogen gelezen. Het kan in de brief niet de verontschuldigingen maken dat de kleine vleugels zo' n verre reis toch onmogelijk kunnen dragen, dat een klaarlichte dag, weer en wind alles in de war zullen sturen. Evenmin zal het in de laatste alinea bidden om als verstekeling achter een neergeslagen kraag te schuilen om tenslotte aan het witte strand ineen te storten.
Het kent voortplantingsdrang, om de soort in stand te houden, het is verstoken van plichtsbesef. Het kent een kier waarin het eieren legt waaruit de larven kruipen die verpoppen tot het dier; de kleine vlieg. Het zal weten van de warme hand waarop het keer op keer kan komen zitten. Het gelooft niet dat het de koude nacht lang, hunkerend naar u en het aansteken van de lamp zal uitkijken.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 1 maart 2015

Aanhanger

Tussen de half opengeschoven gordijnen kijkt u een huiskamer in. Er brandt licht. Het kan uit, daar is niemand. Een vrouw drentelt halfluid pratend heen en weer tussen de gang en nat haar waarin ze moet zoeken. Ze is er druk mee. Ook met het weggaan en terugkomen en het opzetten van de bruine wollenmuts, de wolfsmuil. De winter nadert. Hongerig kijkt zij naar de bladerloze bomen en weet nog van de vette jas waaronder een zaag met grove tanden is verborgen. Het houthok moet vol. De kachel, het gietijzeren gevaarte waar omheen haar huis werd gebouwd, moet aan. Als zij op volle kracht gaat stoken fikt het huis erbij af. Ze moet het ding temperen anders staat er straks geen boom meer langs de weg.
Deze kinderloze vrouw kent een man die voor haar het huis bouwde. 'Hier is op het zand,' zegt hij, 'dat scheelt een hoop gelazer. Ik graaf een gat, leg de fundering en iedereen die ik ken heeft wel een aanhanger.'
Toen het huis klaar was moest de vrouw bij de rechter komen, het was niet orde zo; zonder slaapkamer is het geen woonhuis. Zij vroeg of het magistraat kippen bezat. Nee, dat deed het niet. Dan bezit het ook geen kippenhok meende zij.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

dinsdag 17 februari 2015

Gesprek

Van de natuurlijke gang maakt hij veel werk en poot het in zinken teilen op het kleine balkon. Hij is Aristoteles´ tuinman. In dat gesprek is er gedacht aan kleine roos. De angst voor rupsen, waterkerende zeeberen op het blad doorkruiste het. Hij schreeuwt liever als de kleine vossen aanwaaien.



zondag 1 februari 2015

Verplaatsen

Op het aanrecht lag een snipper aluminiumpapier. Daar gebleven na het openknippen van het koffie pak of zo'n pakje instantsoep waar uw dochter en zoon dol op zijn.
Bij het wegruimen van de vaat schoof u de snipper met een secuur gebaar naast de blauwe koektrommel. Op het deksel van de trommel is het portret van een lachend meisje afgebeeld, ze is een jaar of zes en lacht d'r melktanden bloot.
U pakte de snipper niet op. De vuilnisbak staat sinds een paar weken buiten naast de keukendeur, het was toen volop zomer.
Het is inmiddels het einde van de herfst maar de bak blijft buiten. Fruitvliegen, honden, katten en waterbuffels houden hun rug recht in de zelfzuchtige natuur.
Op de plek waar de vuilnisbak stond, groeien nu stapels boeken die weleens van pas kunnen komen als u bedlegerig wordt. Ook staat er een doos met kleertjes met een bundel brieven, bijeen gehouden door een roze lint.
De doos heeft lange tijd in de kast gestaan en kwam in het zicht door het verplaatsten van spullen. Het kan weg, het heeft een etherische toestand bereikt. De pin, waaraan de herinnering hing, liet los.
Op het aanrecht ligt een deugdelijk mes waarmee u in uw onoplettendheid weleens in de vingers sneed.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

(dit verhaal en anderen zijn voorgelezen in de theaterzaal van de OBA en in het boek; Van het Oosterdok 2014 gepubliceerd op 31-01-2015)

zaterdag 10 januari 2015

De geur van vlees

Als de wekker gaat, Van Veldhoven houdt z'n ogen stijf dicht en ziet zo twee blauwe laarzen met aan de korte schachten een wollen boord. Één staat, de ander ligt op de linkerzij. Ze zijn in het voorbij gaan naast een bank neergezet, terloops omdat de geur van vlees de aandacht ving. Daarom viel die laars om.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

vrijdag 26 december 2014

De zevende wet van Tsjechov

Ik vang een koe, een met horens, die melk ik en daarna ga ik naar de groenteman. “Dag groenteman.” “Dag zeer vereerde en welkome klant.” De groenteman ondervindt veel concurrentie van andere groentemannen en doet daarom overdreven vriendelijk, een beetje slijmerig eigenlijk. Ik zeg nogmaals; “Dag groenteman,” Nu kijkt de groenteman misprijzend, hij had mij tenslotte al vanuit het diepst van zijn gekwetste koopmanshart begroet en gaat dat niet nog eens voor de tweede keer doen, ook groentemannen kennen hun grenzen ook al komen velen van ver, vaak van buiten. “Waarmee kan ik u van dienst zijn?” vraagt hij. Bij ouderwetse groentemannen kan men niet zomaar de spullen die men nodig heeft pakken, zoals in de supermarkt. Bij een ouderwetse groenteman speelt men het toneelstuk van de bediening en de klandizie. De spullen die de groenteman verkoopt liggen in kisten buiten bereik van de klant, alleen de groenteman of zijn vrouw kunnen er bij, maar zijn vrouw is er niet, die haalt de kinderen van school en blijft op het schoolplein nog even wat napraten met een andere moeder die straks klant wordt in de groentewinkel, dan veranderen de verhoudingen drastisch, de klant is tenslotte koning en de groenteman slechts de groenteman maar de vrouw van de groenteman blijft zijn vrouw. Zij wordt niet de groentevrouw. Daarvoor heeft zij hartelijk bedankt. "Groenteman, binnenkort is het kerstfeest!' zeg ik. De groenteman knikt, ondanks dat hij niet van Nederlandse komaf is kent hij alle feestdagen uit het hoofd, een goede middenstander speelt bij zijn inkoop in op de komende feestdagen, ongeacht welke. “En omdat het feest wordt wil ik graag twee venkelknollen van u kopen, ja, twee!” De kisten in de winkel liggen vol allerhande groenten maar met twee venkelknollen ben ik al tevreden. “Dat is dan één euro en dertig cent, desgewenst kunt u pinnen. Mag ik u vragen of dit het is wat u gaat eten met de feestdagen?” “Beste groenteman ik ben gevraagd op een belangrijk diner en maak daarom venkelsalade en die koe, die is voor u want de zevende wet van Tsjechov schrijft voor; indien u in uw verhaal met een koe op de proppen komt moet u er aan het eind mee vandoor gaan, alsjeblieft en ze is reeds gemolken.”
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

dinsdag 23 december 2014

Monologue interieur

Er is een tijd geweest, in dit appartementsgebouw, dat men elkaars partner ruilde; man tegen man, vrouw tegen vrouw. Andere, meer exotische samenstellingen kwamen ook voor. Het was een drukke bedoening, veel overleg en altijd besloten met de vraag of deze of gene wakker moest blijven voor de thuiskomst van de ander en die de huissleutel al dan niet bij zich zou steken.
Al lange tijd hebt u noch een gezellin noch een uit de kluiten gewassen huisdier. Boeken genoeg, die leent u aan jan en alleman; hopla, neem maar mee en lees ze maar aan flarden. Soms brengt iemand zo'n gehavend exemplaar terug, vaak niet. Misschien schamen de mensen zich voor hun gedrag of raken gehecht aan het dan uitgewoonde exemplaar. U vraagt er nooit naar. Sinds u vrouw wegbleef bent u het missen van eigendommen domweg vergeten.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

maandag 15 december 2014

Een sarabande voor quatre-mains

Glanzende handen zijn het van kiemende, tastzinnige mannen; twee broers. Een rechterhand houdt het gereedschap vast en de linker ondersteunt. Van de andere twee zijn de pinken, ringvingers en de twee middelvingers afwachtend luchtig gekromd. Ze belommeren de duimen en de wijsvingers.
Het instrument is helder opgebouwd, draden hangen er gekruld bij en worden bijeengehouden met dunne zwarte kunststof binders, bij gelegenheid ook met korte stukken kleefband. Alleen de verbeelding kan er iets in zien. Ze werken aan een goed ontwikkeld instrument, of ze poseren: dan liggen ze er als stromannen tegenaan. Het gereedschap dat vastgehouden wordt heeft de vorm van de aloude schroevendraaier; een handvat met een stang van metaal en aan het uiteinde een platte of gekruiste kop. Nu eindigt de stang in een dop waarin de kop van een bout past die in of op het instrument vastgezet wordt, door een fijne zachte trefzekere jongenshand met pianissimo gespreide vingers, gehoekt aan de losse pols.

© P. Prins / Pen & Papier in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 7 december 2014

De naastgelegen ruimte

'Na een kort ziekbed overleed de schrijver'. Alicia schrok even van deze zin, uitgesproken in het journaal. Een mooi woord vond ze dat; 'journaal'. Dat het stand houdt en niet zoals parapluie werd versimpeld. Even dacht ze aan 'Hersenschimmen', én dat er wel een mooi overzicht van het leven en werk van de schrijver zal komen. Vrienden vertellen dan verhalen en de uitgever zal de man bewieroken. Tot die tijd zal Alicia met de gedichten van Tomas Transströmer op schoot wachten.
Later die dag, het was zelfs al ver in de middag, kreeg ze zin om met Van Veldhoven te zoenen. Om dat te doen moet ze naar de Kleine Stad.
Langs de weg naar het station hingen geen zwarte banieren; de koning was misschien niet dood. In de Kleine Stad had de vrouw van de tweedehandsboekwinkel aan de gracht de etalage ingericht met het werk van de schrijver. Verbaasd zagen Alicia en Van Veldhoven die uitbundige lofzang, de grote stapel boeken.

in deze doolhof van letters

in deze doolhof van letters
zoek ik naar een gaatje
om u een stukje buitenlucht te tonen
of een kinderhandje dat hoepelt.
ik kan wel schrijven akst mik strlos
en bedoelen dat ik niet te spreken ben
maar men zal toch binnenkomen
ik moet verstaanbaar uw werkelijkheid
ontvreemden als een zakkenroller.

oh ik geniet als ik u wanhopig
naar het oude evenwicht zie grijpen
apodictisch conferencier is de dichter
een mol die 's nachts uw land openwroet
en 's morgens staat u veranderd en bevreemd
naar zijn nagelaten werk te staren

het is geen kunst
als stilstaand water diepe gronden te hebben
de dode speelgoedpop met de gebarsten kop te strelen
maar onder de oppervlakte stromend
steeds weer nieuwe huid te voelen
dit gevecht is eindeloos en zonder uitzicht
daarom verlaat de dichter zijn vers als een bedelaar.

vrijdag 28 november 2014

Salamander

Een straffe Russische wind waait het land binnen en eigenlijk is Van Veldhoven een cynicus met een winterjas van ironie. Zo houdt-ie zich staande. De buitenlucht is door de aanhoudende wind droog, droger dan het zeeklimaat, dat in de regel als een natte lap over het land hangt. Vandaag en de dagen ervoor en erna laten een strakblauwe hemel zien. 's Nachts, eind maart vriest het een graad of twee, overdag niet, maar het volk mort. Het wil de terrassen op, blootshoofds. Maar net als de halsbandparkieten houdt het zich goddank schuil.
Alicia leest over zijn schouder mee en kent-em langer dan vandaag, al jaren zegt ze en vindt-em geen onbeschaamde zak. Ze vraagt waarom Van Veldhoven voor harde spotter poseert; de waarheid is een salamander, legt-ie haar uit.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 23 november 2014

Dick

In 1973 had Van Veldhoven een vriend: Dick. Dick woonde aan de Ferdinand Bolstraat en werd bouwkundige om bruggen te slaan in een land in Afrika. Van dat continent kenden ze alleen de zuidelijkste punt en het boerenbedrog.
Ze dronken bier en rookten nog sigaretten. Dick vertelde dat hij in zijn studie had geleerd dat mensen soms plannen maken die zo enorm groot zijn dat ze het eind ervan niet kunnen zien, laat staan dat ze kunnen weten wat die plannen precies kosten. Na een droge of natte lente ken je ook van aardappelen de prijs niet, de aarde is namelijk rond, betoogde hij.
Ze verloren mekaar uit het oog omdat ze jong en de horizonten geen waterlinies waren. Dankzij de moderne plannenmakers 'ziet' Van Veldhoven Dick regelmatig en hoort'ie het betoog.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 9 november 2014

Donderdag

Of die donderdag dan voor het raam in het kleine huis in de Kleine Stad. Aan de overkant werden één voor één de lichten ontstoken en bewogen de vrouwen voorzichtig rond het meubilair. Zij woonden ook in kleine huizen, net als Van Veldhoven. Die sliep nog. Hij had een vrije dag.

Trouw aan haar gewoonte stapte Alicia om zes uur uit bed. Dronk wat water en ging toen voor het keukenraam staan om naar buiten te kijken. Of zij toen de handen op de rug of over elkaar geslagen voor de borst had dat weet ze niet meer. Ze lette er niet op, haar ogen gingen langs de ramen in de gevelrij. De deuren waren voor de nacht goed op slot gedaan. Geen bewaker was er nodig, met knuppel en riek, om een hongerige beer op afstand te houden, met het manshoge beest in gevecht te gaan om tot slot een flinke mep te krijgen van de zwaar benagelde klauw. Het gezicht van de onverschrokkene zou zijn opengehaald, de zachtmoedige jeugdigheid verdwenen en zijn spieren gestaald.
Dat handelsmerk zou over zijn wang getrokken zijn en als een lopend vuurtje door de beknelde buurt gegaan. Met het bekraste gezicht eiste hij dan zijn opslag óf zijn reputatie achterna gaan.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 1 november 2014

De natuur rukt op

Eerste luitenant Lansink tilt de koffers uit zijn auto en vloekt, zoals gewoonlijk. Sjouwen dat doe je in de hitte van een ander land, met het wapen op je schouder, desnoods met een gewonde kameraad.

Door de openstaande keukendeur praten zij. Hij zucht, 'Het was een lange rit. Ik zat in een huisje van een kennis, in de buurt van Sluis. Die rijdt daar elk weekend naartoe. Daar moet je toch niet aan denken.'

Voor d'r geestesoog ziet Alicia d'r vrijer, de altijd te dun geklede Van Veldhoven, door het gebied dwalen en met de mensen spreken die er wonen. Mooie rustige woorden wisselen zij uit, in een vergeten tempo. Soms zijn er jonge mensen in beeld die ook in de schoot van dat land wonen en de gang van zaken voor lief nemen, ze kennen drift noch weidse gebaren.

Zij vertelt Lansink er over.

'Ik had angst,' zegt hij, 'voor de daar wellicht heersende bekrompenheid, die oprukkende natuur, vretend aan al het cement. De Hedwigepolder ligt daar toch ook in de buurt?' Alicia beaamt dat. 'Ik zag al van die borden staan.' zegt Lansink.

vrijdag 24 oktober 2014

Grafeen

“De stortvloed van gegevens over het menselijk brein tot op het niveau van individuele hersencellen samenbrengen.” Van Veldhoven kijkt Alicia die het voorleest aan alsof dit het is wat hun alsnog samenbindt. Jaren achtereen waren ze verwijderd van elkaar, maar nu zit zijn zus, sinds haar komst drie dagen geleden, aan tafel en leest er de kranten.
“Het gaat dooien.” Van Veldoven knikt in de richting van het raam, “de beken zullen vollopen en dan de uiterwaarden bij de stad. Deze grond ligt hoog, gelukkig.”
Alicia vouwt de krant dicht en kijkt hem aan; tien minuten later geboren, ze herinnert het wachten op hem. Ze ziet zijn verschoten hemd en dito broek, de nieuwe, hooggesloten schoenen.
“Grafeen”, ze laat de e's langgerekt klinken en vlak voor de 'n' zakt haar stem, “geldt als een Europese uitvinding.” Ze steekt daarbij haar linkerhand met de wijsvinger gestrekt op.
“En de jaarmarkt,” wil Van Veldhoven weten, “hoe zit daarmee?”
“Geen woord over gelezen,” antwoordt zij. “Zolang de marktmeester onvindbaar blijft is het wachten geblazen, lijkt me.”
Door het venster zien zij schouder aan schouder de maan in het eerste kwartier staan en horen ze het smeltwater stromen.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®


maandag 6 oktober 2014

Jongens

Het zijn de jongens. Opgeschoten hangen ze in de schommels en tegen de schuttingen van de tuin en gingen over de dijk. Ze hadden één winterjas. Spogen vanaf de brug in het kanaal.
Bewapend en geharnast door de smartphones sleuren ze de schepen het strand af de woeste branding door naar het kalme water er achter. Klimmen aan boord en knopen de jekkers, onder moeders ogen tot boven aan toe. Met hun sterke lijven roeiden ze tegen het aanrollende water in, niets werpt ze terug en daarachter wachten ze op de wind.
Ze verheffen ook hun stem, roepen en bemoedigden. Het guldenvlies tenslotte is tussen de stammen gespannen, daar. Die kusten gaan ze aandoen en er vuren stoken.
Ook onzichtbaar zullen ze worden in de schemer van een herfst, maar nu roeren ze als jong vee, de jongens, ongedurig bijeen.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

Scene 6

De laatste brief van die dag werd geschreven door een jonge vrouw die u, tot dan, niet kende.
Met de postbode, waarbij de benen op tafel lagen, besprak u een veranderende gedachte, namelijke om de kozijnen eerst te poetsen en dan de rest. Gelukkig maar, want het af en aan van de man riep meer vragen op, antwoorden bleven uit. Bijgevolg lag er een berg werk.
De jonge vrouw, volgens haar brief met stevige kuiten en zonder omslagdoek, om maar eens wat te noemen lichtte ze toe, zocht uiteenlopende redenen om in tranen uit te barsten. Zij dacht daarbij aan onbekende dode dieren, het liefst uiteenliggend. Nooit zag ze zoiets, weleens in een spreekwoord over gehoord. Het kon toen geen tranen doen plengen. Misschien dat mannelijke pinguïns de waterlanders loswrongen. Zou er ergens onrecht zijn dat haar kon worden aangedaan, door een vreemde hopelijk, iemand die duwde en voordrong aan de kassa.
Het liefst van alles zou ze stromen als een volwassen bergbeek, haar armen als een delta uitreikend naar jan en alleman. Het leek haar onmogelijk zichzelf daartoe, hoe dan ook te dwingen.
Na het lezen ademde u zwaar; de brief moest maar een mooie bestemming krijgen.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

donderdag 8 mei 2014

De koers

In een getapt praatprogramma, dat 's avonds zeven uur uur op de televisie van start gaat, sprak een vet gekuifde man zijn bewondering uit over de in eenzaamheid aan cocaïne gestorven Italiaanse wielrenner Marco Pantani; de olifant, dit vanwege z'n oren.
Als die wielrenner een wedstrijd reed gaf hij als het ware licht, zoveel slikte hij om maar als eerste de eindstreep te halen. De gekuifde man prees de Italiaanse wielerfans vanwege hun trouw en verering van Pantani.
Morgen gaat de 'Giro' weer van start, de op de één na beroemdste wielerkoers. Dit was de reden voor de man om over zijn herinnering aan en adoratie voor deze wielrenner te vertellen. De vertelling werd geïllustreerd met een fragment waarin je kon zien is hoe je dankzij een medicijnkast een vernietigende demarrage plaatst. Tijdens de komende 'Giro' zal Pantani een paar keer gememoriseerd worden.
Ik herinner mij de man in een eerdere aflevering van het programma, even als ik is hij een liefhebber is van de fietssport. En alom wordt geroepen dat die nu 'schoon' is en we gaan genieten van het 'nieuwe' fietsen. De minste kan nu ook van achteruit als eerste de meet over. De man wees eens bestraffend naar de Amerikaanse wielrenner die als een bedrieger was ontmaskerd; hij won volgespoten met epo zeven keer in een rij de 'Grande Dame'.
Ik weet niet of de Fransen die ronde ook zo noemen. In het programma waarin de man sprak worden namelijk in korte tijd zoveel superlatieven gebruikt dat ik denk dat het in alledag de gewoonte is je zo uit te drukken.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 29 maart 2014

De Grondwet

27-03-2014

Variaties op de werkelijkheid

De Grondwet

In de hal van het gebouw waarin ik woon, hangen gegalvaniseerde kasten. Die zijn door de bewoners opgehangen. Daarin worden videorecorders, platenspelers, gelezen boeken (ook bijzondere) en tijdschriften, om mee te nemen neergelegd.
Van de week lagen er twee kranten. op krantformaat en vezelrijke papier gedrukte boorlingen van Potgieter en Robidé van der As en daarna in veiligheid gebracht door De Groene Amsterdammer; De Gids.
Ik wist niet alles, niet van het vezelrijke papier. Dat wist ik niet.
In het nummer 2014/2 werd de Grondwet besproken, wetenschappers en dichters groeven in de tekst.

ARTIKEL 0,99
Micha Hamel

Allen die zich op de derde planeet van Sol-G2V bevinden zijn gerechtigd de grond onder hun voeten te betreden. Tevens mag men planten uitrukken en dieren doden om zich te voeden, net zo lang tot de betreffende soorten uitgestorven zijn.
Onderling overeengekomen seks is een prima activiteit om de tijd mee door te komen, maar is als zodanig even vaak en bron van teleurstelling en smart.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

woensdag 20 november 2013

Diplomatiek


1) Beleidvol 2) Behoedzaam 3) Gewiekst 4) Handig 5) Oorkondenleer 6) Omzichtig 9) Staatkundig 10) Slim 11) Tactisch 12) Tactvol 13) Zeer voorzichtig 14) Zeer omzichtig.


Van Veldhoven knipt de televisie aan en ziet dan de journaallezer die vertelt-em wat-ie straks te zien krijgt; er er zal een man gaan spreken. In het volgende beeld komt de aangelopen met naast hem een andere man die het papier draagt en het op een spreekgestoelte legt. De eerste man is de hoofdrolspeler. Voorzichtig leest hij voor wat hij heeft gedaan en met wie hij heeft gesproken; dat de strijdende partijen tegenover elkaar staan in dit conflict. Het is een wat oudere grijze man, hij draagt een bril en zijn naam wijst er op dat hij in de regio, het geografisch aaneengesloten gebied, geboren zou kunnen zijn en zo verstand van zaken heeft opgedaan. Hij spreekt de Engelse woorden die hij samen met de andere man heeft ingestudeerd, zacht uit, dat moet wijsheid en bescheidenheid uitdrukken.
In de hal van de supermarkt staat een vrouw met de daklozenkrant, haar zachte begroeting en ootmoedigheid wekken irritatie bij Van Veldhoven. Als de vrouw genoeg verdient heeft gaat ze buiten op de betonnenbank zitten om met haar vrienden en vriendinnen bier te drinken en breeduit klinkend de toestand van wereld te verklaren; niets trilt.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

Diplomatiek

1) Beleidvol 2) Behoedzaam 3) Gewiekst 4) Handig 5) Oorkondenleer 6) Omzichtig 9) Staatkundig 10) Slim 11) Tactisch 12) Tactvol 13) Zeer voorzichtig 14) Zeer omzichtig.

Van Veldhoven knipt de televisie aan en ziet dan de journaallezer die vertelt-em wat-ie straks te zien krijgt; er er zal een man gaan spreken. In het volgende beeld komt de aangelopen met naast hem een andere man die het papier draagt en het op een spreekgestoelte legt. De eerste man is de hoofdrolspeler. Voorzichtig leest hij voor wat hij heeft gedaan en met wie hij heeft gesproken; dat de strijdende partijen tegenover elkaar staan in dit conflict. Het is een wat oudere grijze man, hij draagt een bril en zijn naam wijst er op dat hij in de regio, het geografisch aaneengesloten gebied, geboren zou kunnen zijn en zo verstand van zaken heeft opgedaan. Hij spreekt de Engelse woorden die hij samen met de andere man heeft ingestudeerd, zacht uit, dat moet wijsheid en bescheidenheid uitdrukken.
In de hal van de supermarkt staat een vrouw met de daklozenkrant, haar zachte begroeting en ootmoedigheid wekken irritatie bij Van Veldhoven. Als de vrouw genoeg verdient heeft gaat ze buiten op de betonnenbank zitten om met haar vrienden en vriendinnen bier te drinken en breeduit klinkend de toestand van wereld te verklaren; niets trilt.

vrijdag 8 november 2013

De weg van de wind

Door de schrale takken van de liguster in de pot op het balkon, verschijnt het gehelmde hoofd van een man. Een lift brengt hem met geraas tot bij de kruin van de plataan in het publieke plantsoen.
Alicia woont zo'n acht meter boven het maaiveld schat ze. De man staat op het plateau van de hydraulische lift. In zijn handen heeft hij een motorzaag. Zo nu en dan houdt hij het apparaat in de lucht, laat de tweetaktmotor als een kermisattractie razen. Hij zaagt er mee de takken uit de boom, takken vol blad. Aan de voet van de boom staat zijn collega, die raapt de takken bijeen en steekt ze in een hakselaar, die er met brullende orgastische kracht snippers van maakt.
Het is half zeven in de ochtend, het was een kille nacht. De winter nadert en zal, zo wordt voorspeld, ijzig koud zijn. Van Veldhoven kroop uit voorzorg dicht tegen Alicia aan en knorde genoeglijk.
De machines stoppen, Alicia kan niet zien wat er aan de hand is, misschien is het koffiepauze. Misschien schrijft de wet voor dat de mannen, ondanks hun enorme oranje gehoorbeschermers, de transparante viziers en armen als boomstammen door het tillen van het zware gereedschap, het werk moeten onderbreken om in gebed te gaan. Door het raam ziet ze hoe de wind door de takken gaat en het blad haar toewuift.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 3 november 2013

Groeien

Het stormde en er werd gewaarschuwd over de radio: ga vroeg van of naar huis. Er braken takken van bomen, flinke takken, takken die jaren achtereen groeiden, vrucht droegen, blad verloren en die dag braken. Ze vielen door elektriciteitsdraden van het spoor heen en blokkeerden de doorgang. De boom, door het verlies uit balans, helde weg van de leegte. Op het perron klonk een stem uit de luidspreker die de twee wachtende broers verwees.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zondag 27 oktober 2013

Beker

Van Veldhoven schudt het zaad uit de gedroogde bieslookbloemen, klein en zwart en vraagt of 'klein' en 'zwart' bij bieslookbloemen hoort of bij de zaadjes. Wat de A.N.S daarvan zegt? Alicia kan er niet mee uit de voeten. Het lukt haar niet iets op gang brengen.
Van een brief, waarin de val van Constantinopel in 1204 wordt beschreven, vouwt van Veldhoven een beker en laat het zaad erin glijden vanuit zijn tot een kom gekrulde warme hand. Hij nodigt Alicia uit om door de stad te kuieren.
Hun ogen raken ingesteld op de geveltuinen, de bloembakken aan de ramen, en de zinken emmers waarin de mediterrane goudsbloemen staan. Intussen landt André Kuipers op de steppe van Kazachstan, zijn collega's zijn zichtbaar aangedaan, dat steken ze niet onder stoelen of banken. Van Veldhoven vraagt zich hardop af wat Alicia zegt van die gekkigheid, dat gedoe: ze vindt het mooi.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

vrijdag 18 oktober 2013

Une histoire française IV

Une chauve-souris

In de zwaar bewolkte schemering vliegen over de toppen van de hoog opgeschoten struiken die het smalle pad markeren, vleermuizen; pipistirelle. Overdag hangen ze aan de balken van de oude schuur. Aan de deurpost is het bord 'passage interdit' gespijkerd. Het bouwwerk staat namelijk beklemmend kreupel op de poten.
Met de trekzaag balkten mannen de gevelde bomen. De pruiken waren droog, het werk kon dus beginnen. De ezels die de bomen diep vanuit het bos wegsleepten legden de oren dan strak in de nek.
Het is goed om ver weg van huis te zijn en tegen de daken van andere huizen aan te kijken. De rommel in de buitenlandse tuinen te zien; omstandigheden hadden het bloed vergiftigd, vervuilde rivieren vraten aan de oevers, gevuld met kadavers stroomde het van hoofd naar hart.
Er klinkt een stem van een nieuwslezer uit een luidsprekertje in de taal die hij niet herkent. Van Veldhoven zoekt woorden die hij misschien kent. De haan kraaide vanmorgen klokslag zes, dat verstond hij.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 12 oktober 2013

Une histoire française III

Le vacances de monsieur Hulot

Die van hiernaast liet z'n duiven als eerste los; acht stuks om tien over zes. De vlucht vloog de brekende schemer in waar volgeladen wolken trager dan de vleugelslagen van noord naar zuid trokken; de winter schudt alvast het verenpak. Dan is er het geluid van een knarsend dakraam. De duiven van die van verderop klimmen in het zwerk.
Het is zondag op de Blés de Ferquent in Raventhun en Alicia leest de detailkaart van de omgeving; 1:25.000 dat wil zeggen dat één centimeter twee honderdvijftig meter is en regelmatig betrekt de lucht, zo ver haar oog reikt, tot de blauwe luiken in witte gevels achter de heg. Gisteren reikte het met gemak tot Folkstone's zonnige klippen, ze moest er flink voor langs het strand gaan tot voorbij de noordelijke punt hoog op de kust.
Vanachter de ligusters klinken de ongeduldige en droge knallen uit de dubbelloops geweren.
In de beschutting van de portakabin met aluminium afdak zit ze op een grijs uitgeslagen stoel aan een laag campingtafeltje dat bij elke zin die ze schrijft meedanst. In de caravan tegen over haar bedekt een vrouw het blote bovenlijf en doet dat in middelbare rust. Het is een man die dat doet, toch schrijft Alicia dat het een vrouw is, dat wil ze. Uit die caravan klinkt gedempt en onhoorbaar Frans.
Op het gegolfde aluminium waaronder ze zit loopt waarschijnlijk een vogel, naderhand blijkt het een Turkse tortel te zijn; 'de Turkse tortels koerden'. Dit politiek alles omvattende gedicht drijft haar geestestoneel binnen. Later als ze thuis is in de grote stad en de handbeschreven vellen overtikt wil ze de bundel pakken waar dit gedicht instaat; ze dacht dat Frank Koenengracht het schreef. Het boek is weg of verstopt op een plek waar het onvindbaar is.
Er komt een vrouw aangelopen, een Vlaamse. Zij vond dat ze in haar schooltijd veel vreemde talen moest slikken en haar man is bang dat alle Vlamingen door Nederlanders als rechts worden bestempeld; 'de Morgen is het enkelschoppen verleerd'; zo glijdt Vlaanderen af. Weer klinken er geweerschoten vanachter de struiken en duiven vullen de lucht tot en met de schemer. Achter Alicia's rug is de Vlaams vrouw in de weer, ze zou willen dat het een man was dat brengt rust. De jagers worden ongeduldig en verspillen hun kruit. In de portakabin bond de vrouw d'r haar strak naar achter en draagt nu een emmer mee, ze loopt achter de struiken weg in de richting van de jagers.
Omdat het zondag is kwamen de alledaagse geluiden later opgang maar nu die zijn er dan toch. Er is een merel die het aandurft te klakken en er beginnen auto's te rijden. Je kunt je er de mensen in voorstellen op weg naar de familie.
De bange man van de Vlaamse vrouw loopt langs en ondanks dat hij ziet dat Alicia met gebogen hoofd zit te schrijven bromt hij vertrouwelijk. Gisteren spraken ze kort met mekaar: jullie zeggen dit in het Nederlands en dan bedoelen wij er in het Vlaams dat mee. Wat hij waarschijnlijk niet weet – tussen de geweerschoten door – is dat onze landen een lappendeken van stervende dialecten zijn. En wat de één zegt wordt door de ander anders opgevat wordt. Hij onderscheidt zich met zijn Gents-dialect zegt-ie, het Nederlands is zijn tweede taal.
De vrouw in de caravan zet een vuilzak buiten; deze door-de-weekse-handeling heeft geen weet van getijden; het afgaand water tot aan het doodtij en dat de beste mosselen in emmers mee naar huis gaan. Alicia vertelt er de verhalen van; die van haar moeder die aan de Zeeuwse wateren woonde; delicatessen kocht je toen in de grote stad; je wachtte langer dan een uur op de bus eer je er was. Voor het zeekraal weigert ze tot op de dag van vandaag te betalen.
De jagers zijn gestopt en het is niet duidelijk of zij hun prooien; de fazanten, hazen en reeën, meedragen.
Het licht leistenen grijs heeft de lucht van rand tot rand gevuld en de tortel waagt het om vanuit de conifeer onder de afdak door te vliegen, het is voor niets beducht.Vanachter de guldenroede komt van Veldhoven aangelopen en op het as van het gedoofde vuur ligt een half verbrande pizzadoos; bolognaise. De kust is bezaaid met kiezels van ver voor onze tijd. Aan d'r linkerwijsvinger draagt Alicia een diepe wond die ontstoken is, ze steekt de vinger regelmatig in haar mond zo betert die. Dat gelooft ze nou eenmaal.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 5 oktober 2013

Une histoire française II

Moment d'or
De grijze lucht hangt hoog en oogt strak; marmer van het tweede garnituur. Niet het blauw dooraderde wit. 't Is de hemel, aardse schakeringen kent ze niet. Zeven rotsduiven slaan de slaap uit de borststukken.
Daar waar van Veldhoven zit is er geen sprake van een dunne lijn die hemel en aarde verbindt. Het zijn blauw luiken, opengeslagen tegen een witte muur en een caravan; lang onbewoond en het regent zo nu en dan. Korte buien van natte stof.
Achter de hoge coniferen, dunne wilgen en assorti kreupelhout wordt een auto gestart. Er was een tijd dat hij kon horen of het een Panhard, een Deux Chevaux dan wel een Renault Dauphine was; niets gaat meer schoksgewijs.
Op het pad waar-ie gisteren liep groef een aardhommel, die zijn rode kont als een signaallamp naar achteren stak, het winterverblijf. Met zes poten tegelijk duwde hij de zware zwarte grond achter zich weg.
Niets verbaast van Veldhoven omdat het de gang van zaken is zoals het kwel van de rivier.


© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

woensdag 2 oktober 2013

Niets beklijft

De gekromde mannen en hun levendige vrouwen kijken naar de hommel die zich als een infanterist ingraaft in een rode papaver. Één van die mannen is van Veldhoven. Híj kent iedereen in het dit gezelschap: Alicia is een de levendigen en zijn vrouw en de anderen zijn buren. – Alicia's buurman, in de grote stad, is van mening dat zij haar man pas haar man mag noemen als er sprake is van een huwelijkse staat. 'Hij kan me wat.'denkt Alicia.-
De buurman in de kleine stad zegt dat er sprake is van een aardhommel waar zij naar kijken. Van Veldhoven bestrijd die vaststelling niet. De verschillen tussen de hommelsoorten vind-ie te klein, biologen zullen de die verschillen goed kennen en er geen vergissingen mee maken. Dus zwijgt-ie. Dan klaagt de kleinsteedse buurman onverwacht dat zijn onlangs verworven kennis hem slecht beklijft en in het geval van het determineren van hommels al helemaal niet. Het ontlokt hem stampvoeten.
Alicia vraagt, tijdens de wandeling naar huis of van Veldhoven een gedicht van Tomas Tranströmer wil opzeggen. Hij weet er geen uit zijn hoofd, wel voelt-ie de koele bries ervan en vind het in een boek.
En de lijster blies met zijn lied op de beenderen van de doden.
Wij stonden onder een boom en voelde de tijd steeds dieper zinken.
Het kerkhof en het schoolplein kwamen samen en verbreedden
zich als twee stromen in zee.

De klank van de kerkklokken, gedragen door de tedere
hefboom van het zweefvliegtuig.
Zij lieten een machtige stilte op aarde na
en de kalme stappen van de boom, de kalme stappen van de boom.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 28 september 2013

Gesmeed

In de kleine stad togen van Veldhoven, zijn kinderen, Alicia en de twee broers naar de rand van de Biezenlandsepolder om met graskransen in het haar en onder algemeen en opstuwend gejubel over vuur te springen.
Het werd het zomer. Op een open plek aan de rand van het struweel verzamelden zich kleurig geklede mensen, die het gebruik om op de avond van Sint Jan over vuur te springen in ere houden. Ze stoken het vuur dan hoog op en de dappersten onder hen springen er over. Als een jongen en een meisje dat doen is hun band, door het oplaaiende vuur voor eeuwig gesmeed.
Nog niet op de hoogte van deze duiding waagden de twee broers ook een sprong.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

dinsdag 24 september 2013

Prometheus

Vannacht woei de Tibetaansedroom door van Veldhoven's slaap.
In het hoogland waar hij toen lag, rustend en ademend, wachtten vogels met krachtige snavels en machtige klauwen. De droge wind hield alles in stand, niets kon bederven.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

zaterdag 21 september 2013

Une histoire française I

Camping

Ze zijn in Frankrijk; Alicia, van Veldhoven en de kinderen, in Versailles en kamperen ieder afzonderlijk in een eigen tentje dicht tegen een megalomaan paleis aan; zoals Alicia dat noemt. In de tijd van permanente bewoning van het gebouw was het een komen en gaan van metselende bouwvakkers en harkende hoveniers. Hun gekrioel zal de koning en het drieduizendtal personeel een worst geweest zijn evenals het in getal even groot aantal bezoekers die nu als een stampvolle metro door de Galerie des Glaces boemelen. Tussen de portretten zoekt Alicia die van Jean-Charles Pichegruin in wiens gelederen Maggiel Rison meeliep die Pieternelltje van Koot in Weesp bezwangerde, in 1798. Zij werd de moeder van een nieuw geslacht waar Alicia deels uit voortkomt.
Nu zijn ze in een land waar overwegend Frans wordt gesproken. Toch hoort Alicia staande tussen de hoog opgesnoeide bomen op de camping, het dwingende Nederlands van een vrouw, die haar man de les leest en hardop het boek 'hoe het moet met mijn nieuwe tent'. Ook de smeekbeden van een jong kind het nooit meer te zullen doen en er werkelijk spijt van te hebben en tot slot nog een kans te willen krijgen voor de nacht zijn slaapzak dichtritst. Het gejammer vult alle kieren als laag hangende mist en de stalen blik van een ouder ploegt door de verse grond en plaatst er piketpalen. Tenslotte roept het kind zijn vader aan. De laatste trein van die dag rijdt van rechts naar links achter de gesloten ogen van Alicia. Frau Holle houdt vannacht de hand van het kind vast.

© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

woensdag 18 september 2013

Scene 3

Er waren alleen gepelde pinda's in het spel en vier ervan lagen op de lange houten tafel, met hun donkere bruinrode vliezen ernaast.
Alicia legde op één ervan de wijsvinger en rolde het met kleine bewegingen van links naar rechts. De twee blanke kevers draaiden met poten tegen de borst op hun rug.
Het was een winderige dag, de keukendeur trok ritmisch rammelend aan de haak. Toch was het nog volop zomer, midden op de dag zelfs. Er drongen geluiden van buiten naar binnen; een touringcar die door van Veldhoven met brede gebaren naast de stoep werd gezet. Hij genoot van de stille straat en de gelijkmatige bebouwing; de opeenvolgende smalle zeventiende-eeuwse gevels. Zijn grootvader was aalmoezenier, meer wist hij er niet van, wel dat dat een bijzonder woord was.
© P. Prins / Pen & Papier® in samenwerking met De Blauwe Pen®

vrijdag 13 september 2013

De jonge steur

Van Veldhoven loopt op het door zijn sterke voeten aangestampte pad naar de winkel. Het is vroeg, stil en de leigrijze hemel maakt hem niet neerslachtig. Het is droog. Zijn tas hangt, met de band schuin over zijn rechterschouder langs borst en rug, op de linkerheup. Vanmorgen heeft-ie er een boek in gedaan, het behandelde de oorsprong en ontwikkeling van alle reptielen. Het boek was stevig gekaft en zou de jaren lange studie goed hebben doorstaan. Hij brengt het terug omdat hij gisteravond in het nieuws een verslag volgde over het uitzetten van een jonge steur. Een dier dat als volwassen exemplaar drie en halve meter lang wordt en dan twee tot drie honderd kilo zwaar zal wegen. Het jonge dier werd uitgezet in de Nieuwe Waterweg, een open verbinding met zee.
Door de alom heersende honger tussen de grote rivieren verdween de steur.
Ook zag de van Veldhoven een foto van woeste hologige vissers die op de rug van zo'n dier zaten als was het een ingespannen paard. Zij hadden de vis, onveranderd sinds de prehistorie, met z'n achten, dus met man en macht uit het water gesleurd.
© P. Prins

zondag 8 september 2013

Kuip

De accuboormachine van een zéér betrouwbaar merk, omklemd door de gore knuist, rust op de dij van het rechtbeen dat van Veldhoven over het linker sloeg nadat-ie met die machine, waarin een nieuwe tien millimeter houtboor stak een gat boorde in een bruine plastic kuip die Alicia bij het goeiendoelenwinkeltje kocht.
Zij stortte zware zwarte grond in de kuip en zette er jonge sla in.
Naast die kuip zit-ie nu op een klapstoel, die gisteren nog langs de kant van de weg stond, te wachten tot de kat van de buren door het gat van de schutting sluipt en in de verse aarde een vlag zal planten. Met soepele pols weegt-ie tot die tijd de zéér betrouwbare machine.
© P. Prins

zondag 12 mei 2013

Argentinië aan het IJ (oefening in wereldvreemdheid)

een tiental jaar geleden huurde ik het huis. Het staat op een eiland in de haven van de grote stad, en is door een smalle dam verbonden met het vasteland, waarop gebouwen staan met namen aan de gevels die wijzen naar overzee. Het schijnt dat er hier onlangs een koning voorbij voer, enkele uren daarvoor had hij nabij een andere dam zijn handtekening geplaatst waarmee hij deze titel verwierf. Of er volk is geweest dat hem vanaf de wal toejuichte weet ik niet, lot en liefde stuurde mij naar de kleine stad waar destijds op de hardstenen treden van een trap een door kogels verwonde man stierf.
Het wordt met de dag lichter en warmer en ik verheug me op het bloeien van de liguster. De struik die ik uit het gelid van vele haalde en op het balkon zette. Er naast staat een blauw houten stoel waarin ik dan zit en de hommels, waarvan ik de ondersoorten begin te herkennen bekijk.
De deur en een enkel raam in huis staan op de haak, de nacht heeft zo vrij spel en de merel, nog voor de tram rijdt, zingt. Dat is anders als ik een uur later aan tafel zit een naar het ontvouwde blad van de plataan kijk aan de takken hangen krijsende parkieten, dit geluid vermengd zich niet met het mauwen van een penseelaapje.
© P. Prins

maandag 22 april 2013

Lamento; de heldere dood

's Morgens, in het blauwe uur kijk ik naar een korte film over Remco Campert. Hij wordt in het zonnetje gezet en leest een fragment uit een gedicht, ik moet erdoor aan mijn stervende zus denken. Een paar dagen geleden zette ik, voor de boekenkast een foto van haar neer. Een jeugdfoto, die werd gemaakt in de tijd dat de schrijver zijn bekendste boek schreef; Het leven is vurrukkulluk. In die kast zoek ik naar het verzameld werk waarin de gedichten van de schrijver staan. Het is weg en ik denk na over wat er gebeurt is; ik gaf het misschien wel weg, klare taal is namelijk het pijnlijkst.
Lamento
(Remco Campert)
Hier nu langs het lange diepe water  dat ik dacht ik dacht dat je altijd maar  dat je altijd maar
hier nu langs het lange diepe water  waar achter oeverriet achter oeverriet de zon  dat ik dacht dat je altijd maar altijd
dat altijd maar je ogen je ogen en de lucht  altijd maar je ogen en de lucht  altijd maar rimpelend in het water rimpelend
dat altijd in levende stilte  dat ik altijd zou leven in levende stilte  dat je altijd maar dat wuivend oeverriet altijd maar
langs het lange diepe water dat altijd maar je huid  dat altijd maar in de middag je huid  altijd maar in de zomer in de middag je huid
dat altijd maar je ogen zouden breken  dat altijd van geluk je ogen zouden breken  altijd maar in de roerloze middag
langs het lange diepe water dat ik dacht  dat ik dacht dat je altijd maar dat ik dacht dat geluk altijd maar
dat altijd maar het licht roerloos in de middag  dat altijd maar het middaglicht je okeren schouder  je okeren schouder altijd maar in het middaglicht
dat altijd maar je kreet hangend  altijd maar je vogelkreet hangend  in de middag in de zomer in de lucht
dat altijd maar de levende lucht dat altijd maar  altijd maar het rimpelend water de middag je huid  ik dacht dat alles altijd maar ik dacht dat nooit
hier nu langs het lange diepe water dat nooit  ik dacht dat altijd dat nooit dat je nooit  dat nooit vorst dat geen ijs ooit het water
hier nu langs het lange diepe water dacht ik nooit  dat sneeuw ooit de cipres dacht ik nooit  dat sneeuw nooit de cipres dat je nooit meer

vrijdag 19 april 2013

de orde van de dingen

Ik moet snel zijn met schrijven want het blauw van de vroege ochtend vergrijst, daarna vallen mijn handen en hoofd stil en moet ik weer naar buiten kijken. Daar ligt een gebouw als een dooie in het gras. Eerst dacht ik dat het een vergeten dier was van Siberisch vlees. Het is een amoebe gevuld met plasma niet gevoelig voor het zware weer waaronder de zon schijnt. Er raast een brommer van oost naar west. De moeder belde, zus heeft het moeilijk, ze is ziek. Ik schreef zus, mijn zus een kaart omdat de telefoon in haar huis niet opgenomen werd; de dood is de enige reden daar is niets raadselachtigs aan.
Toen Chuang Tzu's vrouw stierf, kwam zijn vriend Hui Tzu medeleven betui gen en vond Chuang Tzu neergehurkt, zingend en trommelend op een pan. Hui Tzu zei: 'Jij woonde bij haar, kinderen opgevoed met haar, en werden samen oud. Is alleen maar huilen is niet voldoende, maar nu ben je aan het drummen en zingen. Is het niet een beetje te veel? " Chuang Tzu zei: "Dat is niet hoe het is. Toen ze net was overleden, dacht je dat ik niet huilde. Maar ik keek terug naar haar begin en de tijd voordat ze werd gebo ren. Niet allen de tijd voordat ze werd geboren, maar de tijd voordat ze een li chaam had Niet alleen de tijd voordat ze ze een lichaam had, maar de tijd voordat ze een geest bezat. Te midden van de wirwar van wonderen en mysteries vond er een verandering plaats en had ze een geest. Nog een verandering en ze had een li chaam en werd ze geboren. Nu is er een andere verandering en is ze dood. Het is net als de komt van de vier seizoenen, lente,zomer, herfst en winter. Nu ligt ze in een grote kamer. Als ik ga jammeren en huilen zou ik laten zien dat ik niets zou begrijpen van het lot. Dus stopte ik.
Chuang Tzu onthield zich van die gewoonte; de menselijke cultuur. Taoïsten geloven in eenvoudige begrafenisrituelen.
Chuang Tzu, (ca. 369 v.Chr.-286 v.Chr.), was een Chinese dichter en taoïstisch filosoof uit de klassieke periode van de Chinese filosofie. Hij wordt een mysticus en een soort Quiëtist genoemd.
© Peter Prins

zondag 7 april 2013

zus

De brommer van de krantenjongen knettert langs het huis. Het zal wel een scooter zijn, geen bromfiets dat is een fossiel. Gisteren was ik bij mijn oudere zus op bezoek in het Antonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis. Op bezoek zijn is anders dan op visite. Mijn zus en ik liepen in onze middelbareschooltijd een krantenwijk, 's morgens vroeg dwaalden we door de straten van de tuinsteden in het westen van de grote stad. Dat deden we niet voor ons eigen genoegen, daarmee hield het gezin waaruit we voortkwamen het hoofd boven water. Ik weet niet of mijn zus een brommer bezat, niet dat ik het vergeten ben, ik was er niet bij of het wel of niet zo was. We waren pubers en vielen tijdens de les weleens in slaap. Toen ik aan het bed zat waarin mijn zus lag, spraken we zachtjes alsof we jong waren en niemand in het gezin onze woorden mocht horen, toch hadden we geen heimwee.
© Peter Prins

woensdag 27 maart 2013

De natuur is niet menselijk

In het noorden worden de schaatsen ondergebonden en krassen over het ijs van de opgespoten polder. Dat het nog zo koud en onderwerp van gesprek is beheerst de mens. In de ijle luchtlagen boven de noordpool steeg de temperatuur onverwacht en het hogedrukgebied straalde met kracht invloed uit en liet een straffe wind waaien. Opgezweept door de aanhoudende kou begon het volk te morren.
Voor het huis krijsten zo nu en dan halsbandparkieten, de kou verdreef ze, goddank. Ik kan alles verdragen maar deze vogels niet. Daar staat namelijk niets anders tegenover dan de pindavoerende mens.
Wat vroeger mijn angst was, alleen op de wereld te zijn wordt zo langzamerhand mijn wens; de verschuiving van stadsmens naar landman, van gillende trams naar krakende rietkragen. Wij, het gezin waarin ik opgroeide woonden een paar jaar aan de rand van de stad. Tussen ons en het dorp halverwege lag een kleine tuinderspolder. Een enkele koe kon er zijn draai vinden. Er groeide gegroepeerde bomen, bossen vond ik toen. Meidoorn, een enkele berk, bomen met arm dikke stammen, daar bouwde ik mijn hut.
© Peter Prins

vrijdag 1 maart 2013

For whom the bell tolls

In de trein van de grote naar de kleine stad zit ik tegenover een jonge vrouw, zij leest het boek over een gestorven zoon, haar leeftijdgenoot. Haar ogen vol leestekens dwalen kruiselings door de coupé en over de polders, ze zien rustende reigers en halsreikende zwanen. Mijn telefoon gaat, het is een bericht van mijn zoon en meldt zich als een deurbel, ding dong; daar is de dood. Hij schrijft; ‘na een sterfbed van twee weken en na twee jaar ziek zijn is Beshat Üvez, de vader van Ruben, mijn academie-kameraad waar ik vaak ben, overleden. Hij is in rust gestorven, zonder pijn. Ze begraven hem deze week in Turkije.’ De krant waarin ik las plaatste een gedicht van Eva Gerlach;
< het is raar gesteld met de doden, schuiven in je aan, zitten met hun holtes in je knieën, hun kootjes in je vingers een brief te schrijven, even sloom als jezelf, even beperkt op de hoogte van weerbericht en genade, twijfel en kostprijs>
© Peter Prins

vrijdag 21 december 2012

Bugarach, de weg van de laatste dingen

Nadat ik 's morgens vroeg werkeloos aan tafel ging zitten, m 'n laptop opende en begon te schrijven, heb ik weer een baan in de havenstad. Het huishouden doe ik nu niet meer terloops, niet meer tussen twee zinnen door, of het verloop van een zkv niet ken en dan de afwas doe, het stof wegneem. Het jaar loopt ten einde en arbeidstijd verkortende dagen dienen te worden opgenomen. De deuren van het bedrijf gaan dicht de portier draait de sleutel om en tot na oud en nieuw kan niemand er in. Dus heb ik tijd om mijn huis grondig te kuizen. In een vergeten stoffige hoek ligt de kalender met voor elke dag een apart blad en geciteerde teksten uit de, misschien wel honderden boeken waarin boeddhistische wijsheden herschreven zijn. Het zijn de dagelijkse overwegingen, al datgene een mens zou kunnen denken en doen om het nirwana te bereiken. Ik liep op zaken vooruit en las gisteren de boeddhistische overweging die voor vandaag zou gaan gelden, de dag die de Maya's aanwezen als de jongste;
< te voet kan men niet het einde van de wereld bereiken, toch ligt daar de bevrijding van alle kwaad. Volg daarom de goddelijke weg en ken het einde van de wereld. Dan zult u rust vinden en niet meer verlangen naar deze of gene wereld>.
© Peter Prins

woensdag 28 november 2012

Simeon ten Holt II

14-05-2012 Canto Ostinato
In de kleine stad woonde een vrouw in een kleine woning. Er was een kamer waarin dagelijks een slaapbank werd uitgeklapt, aangrenzend een kleine keuken waarin de vrouw zich keerde en kookte. Drie en halve dag per week waren de kinderen van de vrouw daar ook. Die hadden een eigen kamer zoals dat heet. De jongen boven, waar anderen, de buren hun slaapkamer hebben, het meisje in het kamer die bij de buren als woonkamer bestemd is. Het moest zo. De vrouw ging weg uit het huis waar ook de man woonde, het moest zo. Anderen beschouwde dit en het andere van die kamers, onreglementair. De woning kon niet op deze manier bewoont worden, er is een papier waarin dat staat. Er zijn redenen voor alles. De vrouw en de kinderen hadden het er gezellig. Anderen verdroegen dat niet. De vrouw kocht een piano, een piano met een geluiddemper zodat die anderen het Canto Ostinato, dat de vrouw speelde nooit zullen horen. ©Peter Prins

Simeon ten Holt I

25-03-2012 Canto Ostinato
In de kleine stad in de kleine woning aan de tafel te zitten met het vertellen van verhalen en flarden ervan, een begin, dan weer een eindje, een zin en een stuk wat woorden, dromen en voornemens, ik ruim af een veeg de kruimels bijeen. Mijn vrouw zet een ceedee Canto Ostinato op, een versie op het orgel van de Lebuïnuskerk, Aart van der Werf is de toetsenist. < In de achtste eeuw bouwde de Engelsman Lebuínus, die de Saksen tot het christendom wilde bekeren, een kerk aan de oostzijde van de IJssel, in Deventer.> Gisteren zagen we de film over dit muziekstuk, over Simeon ten Holt. Hoe de levens van mensen niet voorziene wendingen namen bij horen van de eerste tonen. Hoe de Franse vrouw in het leven van de componist kwam en de componist in het hare, hoe naast de Goldberg variaties deze muziek de angst voor grote menigten wegnam en hoe in hun de jonge jaren deze muziek voorgoed de weg bestendigde. Na afloop van de film beantwoordde de regisseur vragen uit het publiek. Hij luisterde, zette uiteen. Tot het geloof binnenstapte toen zijn mijn vrouw en ik naar huis gegaan, meer konden we niet doen. ©Peter Prins

dinsdag 2 oktober 2012

De vrouw

Vanmorgen las ik dit verhaal van Nescio weer eens. Ik had er nadien geen directe gedachte bij, geen literaire wel het beeld van een vrouw en haar gegrom. Dat amuseerde me.
< 'T Andere 'k Heb al eens gezegd dat ik een wijs en bedaard man ben geworden. 'k Wil er nu bij zeggen dat ik zelfs getrouwd ben en hoop dat dit mijn weinige lezeressen een illusie ontneemt. 'k Heb een tenger vrouwtje met een wipneusje, zwart haar en bruine oogen, dapper in de wereld en mak in huis, precies wat ik noodig heb. Ze schrijft m 'n werk in 't net en houdt me voor een groot schrijver. Iets anders leest ze niet. Auteurs van hoogdravendhedens noemen dit vrouwelijke intuïtie. >
© Peter Prins