zondag 12 mei 2013

Argentinië aan het IJ (oefening in wereldvreemdheid)

een tiental jaar geleden huurde ik het huis. Het staat op een eiland in de haven van de grote stad, en is door een smalle dam verbonden met het vasteland, waarop gebouwen staan met namen aan de gevels die wijzen naar overzee. Het schijnt dat er hier onlangs een koning voorbij voer, enkele uren daarvoor had hij nabij een andere dam zijn handtekening geplaatst waarmee hij deze titel verwierf. Of er volk is geweest dat hem vanaf de wal toejuichte weet ik niet, lot en liefde stuurde mij naar de kleine stad waar destijds op de hardstenen treden van een trap een door kogels verwonde man stierf.
Het wordt met de dag lichter en warmer en ik verheug me op het bloeien van de liguster. De struik die ik uit het gelid van vele haalde en op het balkon zette. Er naast staat een blauw houten stoel waarin ik dan zit en de hommels, waarvan ik de ondersoorten begin te herkennen bekijk.
De deur en een enkel raam in huis staan op de haak, de nacht heeft zo vrij spel en de merel, nog voor de tram rijdt, zingt. Dat is anders als ik een uur later aan tafel zit een naar het ontvouwde blad van de plataan kijk aan de takken hangen krijsende parkieten, dit geluid vermengd zich niet met het mauwen van een penseelaapje.
© P. Prins

maandag 22 april 2013

Lamento; de heldere dood

's Morgens, in het blauwe uur kijk ik naar een korte film over Remco Campert. Hij wordt in het zonnetje gezet en leest een fragment uit een gedicht, ik moet erdoor aan mijn stervende zus denken. Een paar dagen geleden zette ik, voor de boekenkast een foto van haar neer. Een jeugdfoto, die werd gemaakt in de tijd dat de schrijver zijn bekendste boek schreef; Het leven is vurrukkulluk. In die kast zoek ik naar het verzameld werk waarin de gedichten van de schrijver staan. Het is weg en ik denk na over wat er gebeurt is; ik gaf het misschien wel weg, klare taal is namelijk het pijnlijkst.
Lamento
(Remco Campert)
Hier nu langs het lange diepe water  dat ik dacht ik dacht dat je altijd maar  dat je altijd maar
hier nu langs het lange diepe water  waar achter oeverriet achter oeverriet de zon  dat ik dacht dat je altijd maar altijd
dat altijd maar je ogen je ogen en de lucht  altijd maar je ogen en de lucht  altijd maar rimpelend in het water rimpelend
dat altijd in levende stilte  dat ik altijd zou leven in levende stilte  dat je altijd maar dat wuivend oeverriet altijd maar
langs het lange diepe water dat altijd maar je huid  dat altijd maar in de middag je huid  altijd maar in de zomer in de middag je huid
dat altijd maar je ogen zouden breken  dat altijd van geluk je ogen zouden breken  altijd maar in de roerloze middag
langs het lange diepe water dat ik dacht  dat ik dacht dat je altijd maar dat ik dacht dat geluk altijd maar
dat altijd maar het licht roerloos in de middag  dat altijd maar het middaglicht je okeren schouder  je okeren schouder altijd maar in het middaglicht
dat altijd maar je kreet hangend  altijd maar je vogelkreet hangend  in de middag in de zomer in de lucht
dat altijd maar de levende lucht dat altijd maar  altijd maar het rimpelend water de middag je huid  ik dacht dat alles altijd maar ik dacht dat nooit
hier nu langs het lange diepe water dat nooit  ik dacht dat altijd dat nooit dat je nooit  dat nooit vorst dat geen ijs ooit het water
hier nu langs het lange diepe water dacht ik nooit  dat sneeuw ooit de cipres dacht ik nooit  dat sneeuw nooit de cipres dat je nooit meer

vrijdag 19 april 2013

de orde van de dingen

Ik moet snel zijn met schrijven want het blauw van de vroege ochtend vergrijst, daarna vallen mijn handen en hoofd stil en moet ik weer naar buiten kijken. Daar ligt een gebouw als een dooie in het gras. Eerst dacht ik dat het een vergeten dier was van Siberisch vlees. Het is een amoebe gevuld met plasma niet gevoelig voor het zware weer waaronder de zon schijnt. Er raast een brommer van oost naar west. De moeder belde, zus heeft het moeilijk, ze is ziek. Ik schreef zus, mijn zus een kaart omdat de telefoon in haar huis niet opgenomen werd; de dood is de enige reden daar is niets raadselachtigs aan.
Toen Chuang Tzu's vrouw stierf, kwam zijn vriend Hui Tzu medeleven betui gen en vond Chuang Tzu neergehurkt, zingend en trommelend op een pan. Hui Tzu zei: 'Jij woonde bij haar, kinderen opgevoed met haar, en werden samen oud. Is alleen maar huilen is niet voldoende, maar nu ben je aan het drummen en zingen. Is het niet een beetje te veel? " Chuang Tzu zei: "Dat is niet hoe het is. Toen ze net was overleden, dacht je dat ik niet huilde. Maar ik keek terug naar haar begin en de tijd voordat ze werd gebo ren. Niet allen de tijd voordat ze werd geboren, maar de tijd voordat ze een li chaam had Niet alleen de tijd voordat ze ze een lichaam had, maar de tijd voordat ze een geest bezat. Te midden van de wirwar van wonderen en mysteries vond er een verandering plaats en had ze een geest. Nog een verandering en ze had een li chaam en werd ze geboren. Nu is er een andere verandering en is ze dood. Het is net als de komt van de vier seizoenen, lente,zomer, herfst en winter. Nu ligt ze in een grote kamer. Als ik ga jammeren en huilen zou ik laten zien dat ik niets zou begrijpen van het lot. Dus stopte ik.
Chuang Tzu onthield zich van die gewoonte; de menselijke cultuur. Taoïsten geloven in eenvoudige begrafenisrituelen.
Chuang Tzu, (ca. 369 v.Chr.-286 v.Chr.), was een Chinese dichter en taoïstisch filosoof uit de klassieke periode van de Chinese filosofie. Hij wordt een mysticus en een soort Quiëtist genoemd.
© Peter Prins

zondag 7 april 2013

zus

De brommer van de krantenjongen knettert langs het huis. Het zal wel een scooter zijn, geen bromfiets dat is een fossiel. Gisteren was ik bij mijn oudere zus op bezoek in het Antonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis. Op bezoek zijn is anders dan op visite. Mijn zus en ik liepen in onze middelbareschooltijd een krantenwijk, 's morgens vroeg dwaalden we door de straten van de tuinsteden in het westen van de grote stad. Dat deden we niet voor ons eigen genoegen, daarmee hield het gezin waaruit we voortkwamen het hoofd boven water. Ik weet niet of mijn zus een brommer bezat, niet dat ik het vergeten ben, ik was er niet bij of het wel of niet zo was. We waren pubers en vielen tijdens de les weleens in slaap. Toen ik aan het bed zat waarin mijn zus lag, spraken we zachtjes alsof we jong waren en niemand in het gezin onze woorden mocht horen, toch hadden we geen heimwee.
© Peter Prins

woensdag 27 maart 2013

De natuur is niet menselijk

In het noorden worden de schaatsen ondergebonden en krassen over het ijs van de opgespoten polder. Dat het nog zo koud en onderwerp van gesprek is beheerst de mens. In de ijle luchtlagen boven de noordpool steeg de temperatuur onverwacht en het hogedrukgebied straalde met kracht invloed uit en liet een straffe wind waaien. Opgezweept door de aanhoudende kou begon het volk te morren.
Voor het huis krijsten zo nu en dan halsbandparkieten, de kou verdreef ze, goddank. Ik kan alles verdragen maar deze vogels niet. Daar staat namelijk niets anders tegenover dan de pindavoerende mens.
Wat vroeger mijn angst was, alleen op de wereld te zijn wordt zo langzamerhand mijn wens; de verschuiving van stadsmens naar landman, van gillende trams naar krakende rietkragen. Wij, het gezin waarin ik opgroeide woonden een paar jaar aan de rand van de stad. Tussen ons en het dorp halverwege lag een kleine tuinderspolder. Een enkele koe kon er zijn draai vinden. Er groeide gegroepeerde bomen, bossen vond ik toen. Meidoorn, een enkele berk, bomen met arm dikke stammen, daar bouwde ik mijn hut.
© Peter Prins

vrijdag 1 maart 2013

For whom the bell tolls

In de trein van de grote naar de kleine stad zit ik tegenover een jonge vrouw, zij leest het boek over een gestorven zoon, haar leeftijdgenoot. Haar ogen vol leestekens dwalen kruiselings door de coupé en over de polders, ze zien rustende reigers en halsreikende zwanen. Mijn telefoon gaat, het is een bericht van mijn zoon en meldt zich als een deurbel, ding dong; daar is de dood. Hij schrijft; ‘na een sterfbed van twee weken en na twee jaar ziek zijn is Beshat Üvez, de vader van Ruben, mijn academie-kameraad waar ik vaak ben, overleden. Hij is in rust gestorven, zonder pijn. Ze begraven hem deze week in Turkije.’ De krant waarin ik las plaatste een gedicht van Eva Gerlach;
< het is raar gesteld met de doden, schuiven in je aan, zitten met hun holtes in je knieën, hun kootjes in je vingers een brief te schrijven, even sloom als jezelf, even beperkt op de hoogte van weerbericht en genade, twijfel en kostprijs>
© Peter Prins

vrijdag 21 december 2012

Bugarach, de weg van de laatste dingen

Nadat ik 's morgens vroeg werkeloos aan tafel ging zitten, m 'n laptop opende en begon te schrijven, heb ik weer een baan in de havenstad. Het huishouden doe ik nu niet meer terloops, niet meer tussen twee zinnen door, of het verloop van een zkv niet ken en dan de afwas doe, het stof wegneem. Het jaar loopt ten einde en arbeidstijd verkortende dagen dienen te worden opgenomen. De deuren van het bedrijf gaan dicht de portier draait de sleutel om en tot na oud en nieuw kan niemand er in. Dus heb ik tijd om mijn huis grondig te kuizen. In een vergeten stoffige hoek ligt de kalender met voor elke dag een apart blad en geciteerde teksten uit de, misschien wel honderden boeken waarin boeddhistische wijsheden herschreven zijn. Het zijn de dagelijkse overwegingen, al datgene een mens zou kunnen denken en doen om het nirwana te bereiken. Ik liep op zaken vooruit en las gisteren de boeddhistische overweging die voor vandaag zou gaan gelden, de dag die de Maya's aanwezen als de jongste;
< te voet kan men niet het einde van de wereld bereiken, toch ligt daar de bevrijding van alle kwaad. Volg daarom de goddelijke weg en ken het einde van de wereld. Dan zult u rust vinden en niet meer verlangen naar deze of gene wereld>.
© Peter Prins

woensdag 28 november 2012

Simeon ten Holt II

14-05-2012 Canto Ostinato
In de kleine stad woonde een vrouw in een kleine woning. Er was een kamer waarin dagelijks een slaapbank werd uitgeklapt, aangrenzend een kleine keuken waarin de vrouw zich keerde en kookte. Drie en halve dag per week waren de kinderen van de vrouw daar ook. Die hadden een eigen kamer zoals dat heet. De jongen boven, waar anderen, de buren hun slaapkamer hebben, het meisje in het kamer die bij de buren als woonkamer bestemd is. Het moest zo. De vrouw ging weg uit het huis waar ook de man woonde, het moest zo. Anderen beschouwde dit en het andere van die kamers, onreglementair. De woning kon niet op deze manier bewoont worden, er is een papier waarin dat staat. Er zijn redenen voor alles. De vrouw en de kinderen hadden het er gezellig. Anderen verdroegen dat niet. De vrouw kocht een piano, een piano met een geluiddemper zodat die anderen het Canto Ostinato, dat de vrouw speelde nooit zullen horen. ©Peter Prins

Simeon ten Holt I

25-03-2012 Canto Ostinato
In de kleine stad in de kleine woning aan de tafel te zitten met het vertellen van verhalen en flarden ervan, een begin, dan weer een eindje, een zin en een stuk wat woorden, dromen en voornemens, ik ruim af een veeg de kruimels bijeen. Mijn vrouw zet een ceedee Canto Ostinato op, een versie op het orgel van de Lebuïnuskerk, Aart van der Werf is de toetsenist. < In de achtste eeuw bouwde de Engelsman Lebuínus, die de Saksen tot het christendom wilde bekeren, een kerk aan de oostzijde van de IJssel, in Deventer.> Gisteren zagen we de film over dit muziekstuk, over Simeon ten Holt. Hoe de levens van mensen niet voorziene wendingen namen bij horen van de eerste tonen. Hoe de Franse vrouw in het leven van de componist kwam en de componist in het hare, hoe naast de Goldberg variaties deze muziek de angst voor grote menigten wegnam en hoe in hun de jonge jaren deze muziek voorgoed de weg bestendigde. Na afloop van de film beantwoordde de regisseur vragen uit het publiek. Hij luisterde, zette uiteen. Tot het geloof binnenstapte toen zijn mijn vrouw en ik naar huis gegaan, meer konden we niet doen. ©Peter Prins

dinsdag 2 oktober 2012

De vrouw

Vanmorgen las ik dit verhaal van Nescio weer eens. Ik had er nadien geen directe gedachte bij, geen literaire wel het beeld van een vrouw en haar gegrom. Dat amuseerde me.
< 'T Andere 'k Heb al eens gezegd dat ik een wijs en bedaard man ben geworden. 'k Wil er nu bij zeggen dat ik zelfs getrouwd ben en hoop dat dit mijn weinige lezeressen een illusie ontneemt. 'k Heb een tenger vrouwtje met een wipneusje, zwart haar en bruine oogen, dapper in de wereld en mak in huis, precies wat ik noodig heb. Ze schrijft m 'n werk in 't net en houdt me voor een groot schrijver. Iets anders leest ze niet. Auteurs van hoogdravendhedens noemen dit vrouwelijke intuïtie. >
© Peter Prins

maandag 24 september 2012

Tao van de wind.

Door de schrale takken van de liguster, die in een pot op het balkon staat en in de volle kruin van de plataan schijnt het gehelmde hoofd van een man. In zijn handen houdt hij een motorzaag, die wordt aangedreven door een kleine tweetaktmotor. Het is een jonge man, soms houdt hij de zaag in de vrije lucht laat hem dan razen als een formule één coureur. Ik woon acht meter boven het maaiveld, en de man staat op het plateau van een hydrologische lift en doet zijn werk. Hij zaagt takken uit de boom, takken vol blad. Aan de voet van de boom staat zijn Turkse collega, die raapt de takken bijeen en steekt ze in een hakselaar, die met kracht van de takken snippers maakt en die via een pijp in de laadbak van een aanhangwagen spuugt. Het is half zeven in de ochtend, het was een kille nacht, de winter nadert en die zal, zo wordt voorspelt ijzig koud zijn, mijn vrouw kroop, uit voorzorg dicht tegen mij aan en knorde genoeglijk. Dan stoppen de machines met het maken van geluid, ik kan niet zien wat er aan de hand is, misschien is het koffiepauze, misschien schrijft de wet voor dat de mannen, ondanks hun enorme oranje gehoorbeschermers, de transparante viziers en armen als boomstammen zo sterk door het tillen van de zware machines, het werk moeten onderbreken en in gebed moeten. Ik ben slecht op de hoogte van religieuze gewoonten. Het is stil. Vanuit het raam zie ik, hoe de wind de takken beroert en het blad mij ten afscheid toewuift. © Peter Prins.

woensdag 19 september 2012

Song of praise

's Avonds, voor dat ik in huis de lichten doof zet ik de balkondeur op de haak. Weer of geen weer. De reinigende werking van de nacht is waarin ik geloof. Die kan dan beginnen. Als ik 's morgens mijn ogen open sla staat de nieuwe dag kwispelend aan mijn bed, samen doen wij de achterblijvers van de nacht uitgeleide en sluiten de deur. De haak, acht centimeter lang, waarop ik de deur zet is aan de buitenkant in het kozijn geschroefd en het oog aan de binnenzijde van de deur. Dit oog zit niet op gelijke hoogte met het oog waarin de haak is vastgemaakt. Maak ik gebruik van de haak en dat is dagelijks dan helt deze schuin naar beneden in het oog. Waait er een straffe wind en staan er in huis ramen open dan maakt de haak in het oog een bemoedigend intermitterend en piepend geluid. © Peter Prins.

maandag 17 september 2012

Auke

'Jááh', zegt Auke en kijkt naar de grond, 'Jááh', zegt'íe nog een keer en ziet aan zijn voeten schoenen die hij niet kent. Om te weten of het zijn voeten zijn waarop hij staat schuift hij ze een voor een van voor naar achter en weer terug op de plek waar ze stonden toen hij ze zojuist zag. 'Jááh', zegt hij nu voor de derde keer en heeft geen idee waarom dat woord uit zijn mond rolt, tenslotte wachtte hij en at vanaf het begin een boterham en sprak met volle mond die woorden uit. En deed dat zonder enige gedachte en dat was maar goed ook, zijn moeder zou hem er op gewezen hebben niet met volle mond te spreken en zeker niet zomaar tegen niemand en al helemaal niet op straat en dit uur van de dag. Je heet Auke, zei ze, met de au van goud. Zijn oren spitste vragend. Er was niemand op straat om er acht op te slaan, niemand keek om hem te beschimpen toen hij met volle mond de drie woorden uitsprak, naar de grond keek en die schoenen zag en zijn hart luchtte. Hij stak zijn linkerhand in de zak van het colbertjas dat hij van de kapstok plukte en aantrok en voelde tussen de huissleutels wat los geld en hij raadde het bedrag: vijf en tachtig cent. Het was niet genoeg om met de bus een reis te ondernemen, bij het einde van de straat zou het geld op zijn. Onderin de colbertjaszak zit het briefje, het heeft de maat van een visitekaartje dat een man gisteren aan Auke gaf, vluchtig las hij het en heeft het in de jaszak gestopt. Hij nam nog een hap van de boterham, want tijdens deze gebeurtenissen at hij verder. © Peter Prins.

woensdag 12 september 2012

Een fijn boek.

Ik lig op de bank en lees het niet bestaande boek; 'Voor alle ramen zijn de luiken gesloten'. Een hond die de straat oversteekt, plast tegen een gevel en loopt uit beeld; een scene uit het boek. Vóór dat de titel van het boek daagde, denk ik aan mijn bril. Aan het moment toen ik op mijn tiende jaar uitriep dat ik, dankzij mijn eerste bril bij iedereen naar binnen kon kijken en dat anderen dat sindsdien ook bij mij doen. Die gedachte heeft mij nooit verlaten. Daarom is het een fijn boek. © Peter Prins.

woensdag 5 september 2012

De lefgozer.

Het gebouw waarin ik, met vele anderen woon heeft als entree een ruime hal. Je steekt de sleutel in een doosje dat aan het kozijn van de buitendeur is geschroefd, en de twee glazendeuren schuiven met een ruk open. Er is een lift en een trap die je breed verwelkomt en na een tiental treden versmalt. De trap is op het breedste deel betegeld, hogerop wordt het grijs beton. Op het brede deel leggen de bewoners de spullen waar ze afstand van doen. Er lag weleens een warme jas liggen, een fluitketel, serviesgoed, er stonden acht paar kindersportschoenen keurig op maat gerangschikt, dan weer een speelgoedtrein, ook boeken. Daarvan word ik onrustig, van de boeken die daar liggen. Ik zit dan op de betegelde trap en lees in een boek waarvoor ik in de winkel mijn neus op zou halen, zogenaamde 'pageturners', hoe een man zijn hand tussen de band van de rok en de rug van een vrouw steekt en haar string met een ruk stuk trekt, dat windt de vrouw, zijn buurvrouw op. Zo nu en dan raak ik zeer verdiept in een ander boek en besluit het mee te nemen om op de bank verder te lezen en zet het nadien in de kast waar dan een zelfde exemplaar blijkt te staan. Ook probeer ik te raden wat er in een huis gebeurt waar de boeken stonden en daaruit gaan verdwijnen. Dat ontsluit zich niet. Op tafel liggen; 'De dag van de hond', 'Gemengde berichten', 'De begrafenis', 'Portugese brieven', 'Meer', 'Het lange verblijf', mooie verhalen uit de franse bibliotheek van uitgever Wouter van Oorschot, de lefgozer. © Peter Prins.

dinsdag 4 september 2012

Verbeelding

Mijn vrouw nam zich voor om op de muur van haar slaapkamer, in haar nieuwe huis een ornament te hangen. Ze gaat het zelf maken. Dat kan ze. Ze heeft fijne handen. Ze vertelt er over, hoe zij het ornament voor zich ziet. Ik hou er van als mensen over hun verbeelding praten. Als ze in de grote stad is wil ze naar de papierwinkel. Eerst zat die om de hoek van waar die nu zit. Toen kwam er een investeerder die vond dat de winkel moest expanderen, dat mislukte en de winkel kromp ineen. De vingers van mijn vrouw betastten het dikke Birma en het papyrus, d'r ogen toetsten de kleuren en haar verbeelding deed het werk, ze stelde praktische vragen over lijm en de man gaf de antwoorden. Ze tastten af, beide in hun verbeelding. Toen werd de koop gesloten en rolde de man het vel dikke Birma, alsof hij zijn kind aankleedde in pakpapier. © Peter Prins.

zondag 2 september 2012

de Tao van het rentmeesterschap.

Ik wilde het balkon op om de kleine roos, die ik vorig jaar op aandringen van een buurt-vrouw kocht, te bekijken. Het frisgroene blad werd aangevreten. Rupsen nauwelijks vier millimeter groot die zich uitstekend camoufleerden, waren bezig tot wasdom te komen. Het roosje dat ik in een pot zette was voornemens het zelfde te doen, onder mijn leiding door het water te geven, te bemesten en te inspecteren. Het blad waarop ik een rups aantrof plukte ik van de stuik en gaf het over aan het grote geheel, de rest van de zelfzuchtige natuur. De roos was nog te kwetsbaar om als voederbak te dienen. Het web van de spin hield mij in mijn voornemen tegen, mijn balkon was een no-go area. Het zat met haar lang gerekte lijf midden in het web, ze spon de draden over een lengte van drie meter. Zelf paste zij en al haar neven en nichten d'r bij, zes keer op mijn duimnagel. In de boekenkast staat een boekje 'Spiders' van W.S. Bristowe, een Engelse autoriteit op het gebied van spinnen. Hij heeft de spin op het balkon er niet in beschreven. Gesteund door minimale kennis trok ik het web voorzichtig uit elkaar, de roos moest tenslotte gered. © Peter Prins.

dinsdag 28 augustus 2012

Opsmuk.

In de Amsterdamse Javastraat koop ik de groente en het fruit bij de groenteboer, dat staat op het raam van de winkel, 'Groenteboer'. Daar zijn er veel van in de Javastraat, zij aan zij. Ik wachtte met de blauwe plastictasjes vol sinaasappelen, aardbeien, granaatappelen en paprika's in de rij bij de kassa op mijn beurt. De man erachter voerde met zijn mobiele telefoon een gesprek in een taal die ik niet verstond, hij verhief met regelmaat zijn stem en tikte de bedragen van boodschappen in, wees dan hoofdknikkend naar de klant, op het display. De wachtende keken toe. Ik dacht na over het verhaal dat hij aan de ander vertelde, over de taal waarin hij sprak. Mijn zoon gaat graag met Jasin om, eerst woonde hij om de hoek nu het zijn land van herkomst, de herkomst van zijn ouders. Ik sta mij erop voor Turks te herkennen zodra het in mijn buurt gesproken wordt, het algemeen beschaafd Turks. De man achter de kassa sprak vast een dialect of hopelijk zelfs Koerdisch, in dit land kan je zonder problemen zijn die je bent. De rij slonk en ik was aan beurt, de man verontschuldigde zich voor de gang van zaken, het stoorde me niet zei ik. Een of andere overheidsdienst had eerder die dag zijn partij Ariël in beslag genomen omdat het namaak was en hoe hij dat nou kon weten. Hoe dat met spijkerbroeken, en sinds mijn zoon een weekje bij Jasin in het thuisland doorbracht met horloges zit, snap ik. Wasmiddel? Ik zou het periodiek systeem van Primo Levi weer moeten gaan lezen. Zoals een Amsterdammer dat betaamt werd de groenteboer er schijtziek van, het kostte hem de inkoop, de verkoop en de vernietigingskosten. Voor mijn groente en fruit betaalde ik een bedrag waardoor het een winkel zonder opsmuk blijft.

donderdag 23 augustus 2012

Het wijde water

Gisteren liep ik op een zeker moment te lanterfanten, stond op vanuit mijn stoel aan tafel en ging, door de hal, die de entree vormt van het gebouw waarin ik woon, naar buiten en sloeg links af. Aanvankelijk aarzelde ik, zou ik wel linksaf gaan en niet recht door, de route die ik met mijn vrouw, na het eten graag loop. Aan de overkant van het wijde water, in het noorden stonden de bomen van het Vliegenbos, de kruinen nog vol blad, ze waren ternauwernood van mekaar te onderscheiden, ertussen de barakken en de schoorsteen van Ketjen. Op het water enkele schepen – of zeg je boten –, misschien wel rijnaken, zo nu en dan een plezierjacht dat met vol zeil afstevende op het IJsselmeer. Aan de wal was er geen bedrijvigheid meer, twee mannen stonden geleund tegen hun auto en keken net als ik het water over, ze spraken zacht en wezen daarbij, naar de Oranjewerf. Onhoorbaar werd daar gewerkt, draaiden de lieren en ik stond in de schaduw van het gebouw, een koele plek. Achter mijn rug schilderde een andere man de planken voor zijn studio, hij was blij een onderkomen gevonden te hebben om zijn werk te doen en glom. We spraken kort met elkaar en ik bewonderde zijn laminaatvloer en hij nodige mij uit, 'kom kijken als ik klaar ben, het wordt mooi, erg mooi.' Ik liep door, om het gebouw heen in de schaduw van de bomen die vanuit mijn raam te zien zijn, waar ik graag van vertel. M., een buurvrouw zaaide in de publieketuin stokrozen die nu torenhoog stonden, het zaad was rijp, dat verontruste mij niet. Later die dag, het was al avond ging ik naar bed en las het boek niet uit, omdat ik vermoeid was, knipte het licht uit, hield het boek in mijn linkerhand op mijn borst en viel in slaap. Toen ik wakker werd lagen het boek en de hand naast elkaar op het kussen waar anders het hoofd van mijn vrouw zou rusten als ze bij mij is. © Peter Prins.

donderdag 8 september 2011

met het kind tussen de benen de oren gepitst
om de dansende woorden niet te missen
de buigingen het frêle een en ander te voelen
dat de huid trilt en punten waarin
een snel weg schietend meisje
niet te missen is een opgeschoten knul
de lokroep haar tenten opslaat
het vuur stookt brood kneedt het dansen doet
de bergen niet te missen het zand stuift
de tranen in de ogen brengt
de taal en het een van het ander
de bekers delen als een vers
dat van mond tot mond tot handen
en voeten en ogen en lippen en
zo verder tot aan de volgende dag